Akkoord unie in DDR vreugdeloos ontvangen

OOST-BERLIJN, 3 mei - Er daalt geen regen van D-marken op de DDR neer wanneer op 2 juli de 175 miljard Ostmark, die de 16 miljoen burgers aan spaargeld bezitten, worden omgewisseld voor 120 miljard D-Mark.

In de DDR wordt dan ook verschillend gereageerd op de definitieve vaststelling van de omwisselkoers voor hun spaartegoeden en contanten. Echte vreugde over de revolutionaire gebeurtenis is nauwelijks waar te nemen.

De wat oudere mensen reageren opnieuw teleurgesteld, omdat de regering-De Maiziere voor hen de grens van 4.000 Ostmark niet heeft weten op te schroeven. Sommige jonge ouders met kleine kinderen zeggen dat het hen niet raakt omdat ze nog nauwelijks iets hebben kunnen overhouden.

Veel gepensioneerden roepen daarentegen ronduit dat ze voor de zoveelste keer zijn 'bedrogen'. Zij kunnen weliswaar 6.000 Ostmark tegen een koers van 1 op 1 omwisselen, maar hebben geen kans meer opnieuw te sparen. En, zeggen zij, waarom mogen kinderen tot en met 14 jaar ook 2.000 Ostmark in 2.000 D-mark omwisselen? Zij hebben er immers niet zelf voor gewerkt zoals wij. In de jacht op zoveel mogelijk D-marken blijven sommige Oostduitsers vol illusies en onzekerheden. Zij zoeken 'arme kinderen' op wier rekening zij nog gauw 2.000 Ostmark willen zetten, maar dat is nutteloos omdat de peildatum is vastgesteld op 31 december vorig jaar.

De blijvende onzekerheid is deze: wat gebeurt er met de lonen en uitkeringen van juni? In de DDR worden de meeste lonen en uitkeringen op de 25ste van de maand uitbetaald, de monetaire unie gaat een week later in. 'Dat betekent dat mijn loon over juni, 1.500 mark, wordt gehalveerd', zegt een arbeider met een PDS-speldje op. Het is waar en niet waar, zoals zoveel aspecten van de invoering van de D-mark bezien kunnen worden zoals men wil. Want terwijl men eergisteren nog grif 4 tot 10 Ostmark neertelde voor 1 D-mark, kan men vanaf vandaag al het geld officieel 2 op 1 omwisselen en niet meer 3 op 1. Wat het resultaat zal zijn van de invoering van de D-mark in de DDR, dat blijft in de nevelen der toekomst verborgen. Veel angst bestaat er dat de huren (nu meestal minder dan 100 Ostmark) en de nog sterk gesubsidieerde prijzen van levensmiddelen (liter melk: 66 pfennig, brood: 80 pfennig) zich zo snel aan het Westduitse niveau zullen aanpassen dat het reele inkomen sterk zal dalen. Dan zal het hele kaartenhuis weer in elkaar storten, zo vreest men. Maar ook dat is nog niet duidelijk.

De grootste angst hebben de Oostduitsers voor de dreigende werkloosheid. Bonn en Oost-Berlijn hebben per se de financiele inhoud van het staatsverdrag voor de lokale verkiezingen van komende zondag bekend willen maken omdat de CDU hiermee denkt te kunnen winnen, maar ook omdat het succes van een monetaire unie in hoge mate psychologisch bepaald wordt.

In de DDR klinken echter steeds meer bezorgde waarschuwingen op over de gevolgen van de economisch-monetaire unie. De landbouw zal misschien niet overleven. En de voorzitter van het nieuwe verbond van ondernemers, Stadermann, schroefde zijn pessimistische schatting van de overlevingskansen van de Oostduitse industrie nog verder op: twee op de drie bedrijven zullen moeten sluiten, in de chemische industrie zal 90 procent verdwijnen. Gevolg: 1 tot 2 miljoen werklozen. Voor grote sociale onrust in de DDR waarschuwde daarom gisteren Manfred Stolpe, consistorie-voorzitter van de Evangelische Kirche. De onrust was op 1 mei al in Leipzig te zien. Enkele duizenden mensen demonstreerden 'tegen de uitverkoop van de DDR'.

Terwijl deze leus tot nu toe alleen door de oud-communisten en leden van Bundnis 90 werd geroepen, weerspiegelde de demonstratie in Leipzig de totale stadsbevolking. En Leipzig is en blijft een stad waar de politieke barometer het eerst uitslaat.