Omgaan met racisme

NIET ALLEEN negeren, maar ook isoleren en zelfs confronteren? Dat is met name in de grote steden de vraag waarvoor de gemeenteraden zich zien gesteld nu daarin het aantal afgevaardigden van extreem-rechtse groeperingen als gevolg van de verkiezingen is toegenomen. Hun installatie ging gepaard met enkele demonstraties tegen fascisme en racisme voor de deur van de raadzalen. Volgens een verklaring van een groep juristen hadden de burgemeesters de nieuwe raadsleden niet eens moeten installeren omdat dit de ambtsdragers in strijd met het discriminatieverbod uit de Grondwet zou brengen. Terecht hebben de burgemeesters niet gevolg gegeven aan deze oproep, die ook al bij een vorige gelegenheid (maar toen nog alleen met een beroep op gewetensbezwaren) is uitgegaan. Gekozen is gekozen, zo simpel ligt het in dit land.

Het alternatief is een partijverbod. Nederland heeft op dit punt gelukkig een bescheiden traditie en er komt trouwens praktisch gezien het nodige bij kijken voordat het zo ver is. Met name is voor een verbod daadwerkelijke aantasting van de rechtsorde vereist. Blijkens de strafbladen van enkele van de nieuwe afgevaardigden is er wat dit laatste betreft bepaald reden voor waakzaamheid. Maar een dergelijke waarschuwing is toch primair gericht tot de Justitie en niet tot de oproerpolitie. Tegen die achtergrond valt het temeer op dat van tegendemonstraties geen sprake was: in Amsterdam kon de Mobiele Eenheid de dag zonnend op de Stopera-kade doorbrengen.

DE AFWEZIGHEID van enige claque voor de extremisten bij openbare gelegenheden past in het beeld van hun electoraat als overwegend proteststemmers. Dat er reden is dit protest serieus te nemen wordt in de politiek landelijk en lokaal ook wel erkend, getuige het debat over 'sociale vernieuwing' - een term die alles te maken heeft met de gemeenten en hun oude wijken. Een inhoudelijk vernieuwingsbeleid is de echte les waartoe het nieuwe extremisme noopt. Een zelfstandig onderdeel van dat beleid moet zijn duidelijk te maken dat de vruchten ervan ook eerlijk worden verdeeld onder de bevolkingsgroepen. Maar een dergelijk vernieuwingsbeleid ontslaat niet van de plicht direct politiek tegenweer te leveren.

Met reden stellen gemeenteraden zich op het standpunt dat zij alleen de verplichte medewerking aan de nieuwgekozenen zijn verschuldigd. Zeker zolang deze zich naar hun marginale positie gedragen verdient het aanbeveling de actie te beperken tot praktisch-politieke quarantaine en niet over te gaan tot regelrechte uitsluiting. Al was het maar om een slechtbegrepen underdog-effect geen kans te geven. Met doodzwijgen is overigens de ook wel bepleite lik-op-stuk-tactiek moeilijk te rijmen.