Nazaten van Schokland op zoek naar de geschiedenis vanvoormalige eiland; Groene rietstrook in grijze vlakte

Henk Toeter (62) wijst naar een lichte glooiing op de noordpunt van het gewezen eiland Schokland in de Noordoostpolder en verklaart op plechtige toon: 'Hier woonde en overleed mijn overovergrootvader Floris Alberts Toeter, visser, schipper, winkelier, kroegbaas en gemeenteraadslid, gehuwd met Aaltje Cornelissen Grootjen.' Samen met Cor Diender (67) bezoekt hij weer eens de wortels van zijn geslacht, roots zeggen we tegenwoordig. Ze wonen beiden in Kampen en zijn respectievelijk voorzitter en vice-voorzitter van de Schokkervereniging, een gezelschap van 1600 mannen en vrouwen, verspreid over Nederland en daarbuiten, die van de oorspronkelijke eilandbewoners afstammen en veelal de kernachtige Schokker namen dragen: Klappe, Mossel, Bien, Goosen, Net, Sul, Toeter en Diender.

Cor Diender: 'Ik ben van 1923 en herinner me nog dat mijn grootmoeder, die in 1936 op 92-jarige leeftijd stierf, over haar kinderjaren in Emmeloord praatte. Het oude Emmeloord natuurlijk, op de noordpunt van Schokland. Als vijftienjarig meisje moest ze met alle anderen naar de vaste wal.' Dat was in 1859, toen het smalle, langwerpige eilandje op last van koning Willem III werd ontruimd, omdat de Zuiderzee, ondanks dijken en paalweringen, steeds meer grond onder de mensen wegspoelde. Berucht was de vloedgolf van 1825, toen de beschermende palissade over grote lengte werd vernield en de r.k. kerk van Emmeloord haar altaar verspeelde. Behalve koeien en schapen verdronken toen dertien mensen. Dertig jaar later beleefde Schokland en zijn benarde bevolking het voorspel van de grote verhuizing: de 77 bewoners van de Zuiderbuurt vertrokken naar de Middelbuurt (of Ens) en Emmeloord. Vier jaar later voeren alle 700 ingezetenen, voornamelijk vissers en schippers, met botters en tjalken naar de vaste wal. De meesten kwamen in Kampen, Vollenhove en Volendam terecht; enkelen in Urk, wat nogal opvallend was, omdat het nooit erg boterde tussen beide eilanden. Die van Urk keken vanaf hun keileembult in de Zuiderzee altijd wat geringschattend naar de Schokkers.

Vis in de modder

Van de originele bebouwing op Schokland is slechts de uit 1834 daterende hervormde kerk in de Middelbuurt gespaard gebleven; de r.k. waterstaatskerk van Emmeloord werd in 1860 afgebroken en herbouwd in Ommen, waar ze tot omstreeks 1950 bleef staan. Na de ontruiming in 1859 kreeg Schokland al gauw een paar nieuwe bewoners: een lichtwachter en een kantonnier, die belast waren met het dagelijks toezicht en onderhoud, tot 1942, toen de Noordoostpolder droogviel en Schokland - om met de publicist en scheepsarcheoloog G. D. van der Heide te spreken - 'daar lag als een vis in de modder, de eerste groene rietstrook in een grijze vlakte.' Daarmee zou het verhaal van dit eiland, nog altijd herkenbaar aan de restanten van vier terpen, geschreven zijn als Henk Toeter uit Kampen en Ab Klappe uit Eindhoven de koppen niet bij elkaar gestoken hadden. Op hun initiatief kwam vijf jaar geleden de Schokkervereniging tot stand, die zich ten doel stelt 'de zo abrupt afgesloten geschiedenis van Schokland en zijn bewoners levendig te houden'.

Sindsdien doken ze uit alle hoeken en gaten op: de Schokker nazaten, vervuld van een gemeenschappelijk verlangen om die smalle strook grond in de NOP, waar hun bronnen liggen, aan de borst te drukken.

De vereniging doet veel aan historisch onderzoek, vooral door raadpleging van archieven, en heeft diverse plannen. Ze wil onder meer de 'woon- en werkcultuur' van het eiland weer zichtbaar maken door een bescheiden reconstructie van de oude bebouwing. Schokland is destijds niet alleen ontruimd, maar ook ontmanteld. Voor de bewoners in 1859 noodgedwongen wegtrokken, moesten ze hun huizen afbreken en burgemeester G. Gillot schijnt daar persoonlijk op te hebben toegezien.

Hij verstrekte namens de rijksoverheid ook het geld dat de Schokkers meekregen om zich elders een nieuw onderkomen te bouwen. Volgens voorzitter Toeter doen daarover in sommige publikaties onjuiste verhalen de ronde: 'Er is sprake van schadevergoedingen die niet boven een schamele twintig, vijftig of honderd gulden uitkwamen, afhankelijk van de grootte van het oude huis en de staat waarin het verkeerde, maar het betrof hier een voorschot, dat later met een aanzienlijke factor werd vermenigvuldigd om de werkelijke kosten te dekken. Nee, de Schokkers zijn er financieel behoorlijk uitgesprongen. Dat moet maar eens worden rechtgezet. Mijn eigen overgrootvader bij voorbeeld kocht de r.k. pastorie in Vollenhove voor 1545 gulden. Dankzij de vergoeding kon hij contant betalen.'

Armoede

Toeter signaleert meer onzorgvuldigheden, om niet te zeggem mythevorming, in de gangbare geschiedschrijving. Er wordt gerept van bittere armoede onder de 700 zielen tellende bevolking, wat vooral in strenge winters tot uiting kwam. Dan moest men de stad Kampen menigmaal om hulp vragen en een keer, in 1838, werd via een oproep van burgemeester Gillot heel Nederland bij het lot van Schokland betrokken. Hij schreef in het toenmalige Handelsblad: 'De mensen zitten in grote nood, 100 haarden zonder brandstof, 500 mensen zonder een bete broods; men vraagt elkander 's morgens: zouden er ook doden wezen?' De voorzitter van de Schokkervereniging schudt licht geergerd het hoofd: 'Een overdreven voorstelling van zaken. Eigen onderzoek toont aan dat Schokland niet armer was dan al die andere vissersplaatsen in en rond de Zuiderzee. De Schokkers stonden juist bekend als bekwame vissers, die van hun positie op de grens van zout en brak water wisten te profiteren. Zout water leverde haring, bot, schol en ansjovis, uit het brakke deel haalden ze paling, snoek en baars. 't Was geen vetpot, maar niet erger dan elders.' Een ander gegeven wordt daarentegen bevestigd: Schokland telde opmerkelijk veel cafes. Dat was ook een van de redenen waarom die van Urk weinig met het buureiland op hadden. 'Elk huis is daar een kroeg', was een bekend gezegde onder de calvinistische mannen in de bolle broeken. Maar dat stond een zekere uitwisseling tussen beide eilanden niet in de weg, blijkens het bekende kinderrijmpje van Lizzy Ansingh, een van de Amsterdamse joffers: De dominee van Urk, die zou op Schokland preeken.

Maar door 't razen van de zeewas hij zijn tekst vergeten.

De regels horen bij een tekening van Nelly Bodenheim, waarop de zielehoeder met hoge hoed in een nietig roeibootje zit. Minder bekend is dat Jo Spier hier een naoorlogse variant op maakte: de dominee van Urk in een Fordje, waaronder een aangepaste versie van het rijm: ... maar door 't ruisen van het graanwas hem zijn tekst ontgaan.