Kerk wordt volgende week ingewijd; Ernstige 'missers' bijrestauratie van Servaasbasiliek

MAASTRICHT, 2 mei - De manier waarop de Sint Servaasbasiliek is gerestaureerd getuigt van onvoldoende kennis van bouwkunst. Op diverse plaatsen zijn sporen en materialen van vroegere versies van de kerk weggewerkt, waardoor het gebouw als historisch document niet meer leesbaar is. Het resultaat is een hybride gebouw.

Tot die conclusie komt de Leidse hoogleraar bouwkunst prof. dr. A. Mekking, die in 1986 is gepromoveerd op de bouwgeschiedenis van de Sint Servaas in Maastricht.

De romaanse kerk aan het Vrijthof, waarvan de grondvesten teruggaan tot de vroege middeleeuwen, wordt na een grondige restauratie volgende week opnieuw geconsacreerd. Aartsbisschop Simonis zalft dan de vijf stenen in het nieuwe altaar, die de wonden van Christus symboliseren. Aan de kosten van de restauratie heeft het rijk voor 43 miljoen gulden bijgedragen, de overige vijf miljoen is door het kerkbestuur opgebracht. Aan de buitenkant is niet veel aan de kerk veranderd: de daken zijn vernieuwd en op de plaatsen waar het steeds zuurder wordende hemelwater de kerk had aangetast, is het verweerde gesteente vervangen.

De middentoren aan de westkant, die in 1955 door brand werd verwoest, is niet herbouwd. Mekking vindt dat de eerste misser: 'Historisch gezien hoort die toren er gewoon bij, omdat hij er altijd heeft gestaan. Nu hebben ze er maar een gat gelaten.'

Ook bij het maken van de twee toegangsdeuren aan de kant van het Vrijthof is volgens Mekking gezondigd tegen de historische waarden: 'Tot de oorlog waren aan die kant twee grote portalen, die de toegang uit de wind hielden. Als je respect hebt voor de historie, had je die portalen weer moeten herstellen.' De kolossale bronzen toegangsdeuren die nu zijn aangebracht, zijn overigens schitterende werkstukken van Piet Killaars en Appie Drielsma. De deuren werden geschonken door de kasteleins van het Vrijthof, die met de organisatie van het jaarlijkse eet- en drinkfestijn Peuvenemint drie ton bij elkaar brachten.

De grootste kritiek van Mekking richt zich tegen de restauratie van het interieur van de kerk. In tegenstelling tot het karakteristieke romaanse uiterlijk, dat sinds het jaar 1050 weinig is veranderd, heeft het interieur in de loop der eeuwen zoveel veranderingen ondergaan, dat er geen sprake meer is van een overheersende stijl. Oorspronkelijk had het middenschip een vlak houten plafond, maar toen dat in de vijftiende eeuw was ingestort, heeft de kerk een gotisch gewelf gekregen. In de vorige eeuw leidde de katholieke bouwmeester P. J. Cuypers twee neogotische restauraties, waarvan het resultaat door bijna iedereen werd verfoeid. In overeenstemming met de toenmalige liturgische opvattingen werd het hele interieur beschilderd met hemelse taferelen. De schilderingen maakten het interieur erg donker, welk effect nog eens werd versterkt door de verkleuring die in de loop der jaren is opgetreden.

Nu is het interieur teruggebracht in de staat van voor de restauraties van Cuypers. De kerk is veel lichter gemaakt door het plafond wit te schilderen op de ogieven na, die hun kleurrijke bloemmotieven uit de vijftiende eeuw hebben teruggekregen. Volgens Mekking is het wegpoetsen van de schilderingen van Cuypers al te rigoureus gebeurd: 'Onder het pleisterwerk zijn boogresten te voorschijn gekomen, die iets vertelden over de historie van het gebouw. Die had men als documentaire elementen zichtaar moeten laten. En de zwarte kleur met postmoderne rode stippen op de pilaren moet berusten op een vergissing, die alleen te verklaren is uit een gebrek aan kennis van architectuur.' Mekking verwijt de Rijksdienst voor de Monumentenzorg onvoldoende toezicht te hebben gehouden op de restauratie, maar in Zeist denkt men daar anders over. Het toenmalige districtshoofd voor de regio-Oost, ir P. van Dun, beroept zich op de marginale rol die de dienst bewust speelt bij het restaureren van kerkgebouwen: 'De liturgische functie staat voorop. Het kerkbestuur mag binnen ruime grenzen zelf een keuze maken. De toenmalige staatssecretaris van CRM heeft het eerste plan afgekeurd omdat het herstellen van de negentiende-eeuwse toestand getuigde van denkarmoede. Daarna is het kerkbestuur pas serieus gaan nadenken. Persoonlijk had ik liever gezien dat er een twintigste-eeuwse oplossing voor de uitmonstering van het interieur was gekozen. Dan had je internationaal pas echt de aandacht kunnen treken met zo'n project.'