De Poolse kunstenaar verliest prestige

WARSCHAU, 2 mei - 'De Poolse kunstenaar is lang het hart van de natie geweest, van de tijd van de Poolse delingen tot nu', zegt de cineast Jan Kidawa-Blonski. 'Onderdrukking was hier altijd de norm, de 'normale' situatie, en in tijden van onderdrukking was het altijd de kunstenaar, de schrijver, de dichter, de componist, de cineast, de tekenaar, de schilder, die de strijd voor de onafhankelijkheid gestalte gaf: het verlangen naar onafhankelijkheid werd door hem geformuleerd - hij alleen bereikte het publiek.' Maar Polen verandert. 'Het betekent dat de kunstenaar van de bovenste sport van de sociale ladder af moet. De kunstenaar raakt zijn sociale prestige kwijt.'

En dat, zegt Kidawa-Blonski, doet pijn. Kidawa-Blonski (geboren in 1953) is een grote man met een baard en snelle blauwe ogen, vitaal tot in zijn vingertoppen. Hij praat razendsnel - zo snel dat in het Warschause cafe de meeluisteraars aan belendende tafeltjes het spoedig opgeven. 'Naarmate Polen een normaal land wordt krijgt de kunstenaar sociale groepen naast zich die in het brandpunt van de publieke belangstelling komen te staan: zakenlieden, politici, journalisten, vakbondsleiders. Er zijn nu anderen die meepraten. De kunstenaar wordt opzij gedrukt: hij is niet langer zo exclusief, zo belangrijk als hij vroeger was.' Dat hangt enerzijds met de economische crisis samen. De Polen hebben in de huidige economische situatie andere zorgen dan de kunst: ze moeten hun best doen om te overleven. Miljoenen Polen zijn onder het bestaansminimum gezakt. Kidawa-Blonski: 'Als minister van sociale zaken Kuron iets zegt over zijn gratis soep is die mededeling voor de meeste Polen belangrijker dan een mooi kunstwerk'. Het hangt anderzijds samen met een identiteitscrisis binnen de kunst zelf, die het gevolg is van de val van het socialisme. Kidawa-Blonski vindt het wel terecht dat de kunstenaar een paar stapjes terug doet: 'Hij heeft in de nieuwe situatie van dit land minder mee te delen. Veel kunstenaars die in hun werk een duidelijk politieke of maatschappelijke boodschap overbrengen, zoals cineasten, schrijvers, acteurs, putten vroeger hun inspiratie uit verzet tegen het bewind. Daar liggen hun wortels, dat maakte nationale helden van hen'. Die vijand, het regime van vroeger, is ten val gebracht, en daarmee is bij menig kunstenaar ook de inspiratie weg. 'Er is een vacuum ontstaan, een leegte: een vrijheidsverlamming. Een droom is uitgekomen! Schrijvers kunnen nu over alles schrijven. Maar plots weten ze niet meer waarover.'

De transformatie van Polen van een socialistische dictatuur naar een pluriforme samenleving met een markteconomie heeft voor de helden van gisteren ook ingrijpende economische gevolgen: kunst wordt al evenzeer onderworpen aan de wetten van de markt, de wetten van vraag en aanbod, als het geval is met meubilair, aardappels of een glas bier. Vrijwel dagelijks klagen kunstenaars in de Poolse media: kunst is geen worst, kunst is geen koekepan.

De identiteitscrisis bij de Poolse nationale helden van de lange, lange periode van onderdrukking en verzet noopt de kunstenaars tot het uitzien naar nieuwe inspiratiebronnen. Dat is slechts een kwestie van tijd: die nieuwe bronnen vinden ze wel, zegt Kidawa-Blonski: 'Dit is geen land van geluk. Er is veel sociale spanning. Polen kijkt elke ochtend in de spiegel en ziet elke dag een ander gezicht. De samenleving krijgt belangstelling voor nieuwe thema's, voor werkloosheid, voor abortus. De kunstenaar moet nog met de nieuwe toestand en de nieuwe problemen vertrouwd raken. 'Het is misschien wel nodig afstand te nemen tot de politieke avantgarde van vroeger, tot Solidariteit, waarmee hij zich zo lang verbonden heeft gevoeld, de nieuwe nomenclatura waarmee we vroeger samen hebben gevochten. Het zijn pijnlijke beslissingen. Maar ze moeten worden genomen. Er is geen keus.'

Jan Kidawa-Blonski studeerde architectuur en filmregie aan de Staatshogeschool voor Film, Televisie en Toneel in Lodz. In 1980 studeerde hij af. Een van zijn avondvullende speelfilms - Drie voet boven de grond (1980) - werd in 1986 bekroond met de Gouden Tros op het filmfestival van Lagow (Polen). De film gaat over een student die vrijwillig in een kolenmijn gaat werken om aan militaire dienst te ontkomen en daar kennis maakt met een mijnwerker die zijn best doet te leren vliegen. Motto: als je ergens in gelooft kun je het waarmaken.

Kidawa-Blonski: 'Ik lijk misschien kwaadaardig, maar ik zeg het toch, tenslotte zijn we echt vrij: de Poolse kunstenaar heeft in het totalitaire bewind van gisteren een heel comfortabele positie ingenomen. Hij werd gesubsidieerd door de staat, en mocht - een stilzwijgende afspraak - in zijn kunst niettemin zachtjes protesteren tegen zijn eigen sponsors, en dat leverde hem ook nog eens al dat sociale prestige op.' Die situatie is drastisch gewijzigd: kunst wordt nog wel gesubsidieerd, maar slechts mondjesmaat. Andere zaken hebben prioriteit, Polen verpaupert op grote schaal, de werkloosheid stijgt met sprongen, het aantal mensen dat bij de transformatie van een hele samenleving tussen wal en schip dreigt te belanden loopt in de miljoenen.

Voor de ene kunstenaar maakt dat meer uit dan voor de andere: een componist en een schilder hebben voor hun werk weinig meer nodig dan een kamer met respectievelijk een piano en muziekpapier en een kamer met een doek en verf. Het probleem is vooral nijpend in die takken van kunst waar veel geld omgaat.

De Poolse literatuur bijvoorbeeld bevindt zich in een diepe crisis. Het is nog altijd dringen in de boekwinkels van Warschau, maar gekocht wordt er weinig: boeken zijn zo duur geworden dat de Polen ze niet meer kunnen betalen. Dat geldt ook voor het toneel en de film, Polen hangt vol mooie toneelaffiches, maar grote theaterproduktie zijn er niet meer, want er zijn geen sponsors, er worden nauwelijks nog nieuwe films gemaakt, en kaartjes zijn zo duur geworden dat de zalen van bioscopen en theaters leeg blijven: de staat is, althans in hoge mate, uit de subsidiering van toneel en film gestapt en er zijn geen banken of commerciele bedrijven die in het gat springen. Kidawa-Blonski: 'De politici begrijpen de rol van de cultuur in de Poolse samenleving niet. Dat geldt zelfs voor het parlement, waar nota bene veel kunstenaars zitten. Ze zeggen: niemand lijdt eronder als we een paar jaar lang de kunst niet steunen. Dat is kortzichtig.' In het verleden, in de tijd van het socialisme, heeft de kunstenaar zich altijd door de staat beperkt gevoeld. Maar de grenzen die hem werden opgelegd waren tegelijkertijd zijn redding: die kunstenaar moest op zoek naar sophisticated manieren om zich uit te drukken, hij moest op zoek naar de kostbare kleine metafoor. De kunst voer daar wel bij. Nu zijn er geen metaforen meer nodig: er is openheid nodig, en die brengt nieuwe criteria met zich mee. Kidawa-Blonski: 'Ik weet het: de Poolse film is beroemd. Maar die roem dateert uit de tijd dat er films werden gemaakt waarin de held het opneemt tegen het totalitarisme, een universeel begrijpelijk thema. Nu moet de Poolse filmmaker zien uit te vinden hoe hij nieuwe problemen uitbeeldt, en of hem dat lukt is de vraag, misschien worden onze films wel onbegrijpelijk voor het buitenland.' Voor de filmregisseurs en de schilders zou het probleem mee kunnen vallen: nu al worden de weinige nieuwe films gemaakt met buitenlandse participatie en schilders gaan met hun werk de buitenlandse markt op. Voor de Poolse schrijvers ligt dat moeilijker. Kidawa-Blonski: 'De Poolse literatuur is altijd een kluizenaarsliteratuur geweest, vaak onbegrijpelijk voor buitenlanders.'

Dat maakt uitwijken naar het buitenland moeilijk: zoveel Poolse literatuur wordt er niet vertaald. In eigen land is de centrale distributie van papier afgeschaft en moeten uitgeverijen die als paddestoelen na de regen uit de grond zijn geschoten met elkaar concurreren om het schaarse papier. Dat maakt het vooral voor debutanten moeilijker dan vroeger. Dat jaagt hem, zegt hij, geen angst aan: 'Het stimuleert me juist. Ik ga op zoek. Ik zou graag een film maken over Silezie, een heel vreemd stuk Polen, want Sileziers zijn noch Polen, noch Duitsers. Vroeger kon dat thema niet worden behandeld, want Sileziers mochten toen alleen Polen heten.' Kidawa-Blonski wekt ondanks alles niet de indruk er ongelukkig van te worden. Hij maakte tot nu toe erg Poolse films, hij was sterk gebonden aan Poolse thema's, politieke thema's. 'Ik zal moeten omschakelen.' Het maakt het leven niet makkelijker, maar Jan Kidawa-Blonski tilt er niet al te zwaar aan. 'Er is een hoop. We hebben veel artistiek potentieel, en we liggen op een strategische plek, tussen Oost en West. Misschien kunnen wij Polen op het gebied van de kunst een brug worden, bemiddelaars, tussen Oost en West. Waarom niet? De Poolse kunstenaar moet terug naar Europa. We moeten leren de wereld in het gezicht te zien zoals iedereen dat doet. Dat hebben we nooit eerder meegemaakt. We moeten alleen de vorm nog vinden.'