DE BEURS IN OORLOGSTIJD

De Amsterdamse beurs onderscheidde zich in de oorlogsjaren in haar houding tegenover de bezetter niet van de rest van Nederland: van de ongeveer 1500 handelaren en bedienden die dagelijks op de beursvloer waren te vinden, stond het grootste deel als pro-geallieerd te boek.

Van grootscheeps protest ten aanzien van het wegvoeren van de joden was echter evenmin sprake. 'In de oorlog was je allang blij dat je te eten had en na de oorlog was je allang blij als je hachje er niet bij was ingeschoten', zo schetst Jan Schopman sr., die vanaf 1929 als bediende bij een beursfirma werkte, de atmosfeer op de vloer.

In mei 1941 werd het joden verboden nog langer op de beursvloer op het Damrak te komen. Het beursbestuur protesteerde door te stellen dat 'joodse elementen' nooit een machtsfactor van belang waren geweest op de effectenbeurs. Het haalde niets uit. In november moesten de joden als gevolg van een algemene maatregel tevens het lidmaatschap van de beursvereniging opzeggen. Op deze manier verdwenen 80 van de 671 leden en 58 bedienden van de Amsterdamse beurs. Zeker 72 van hen lieten in de oorlog het leven.

De meeste kritiek kreeg de beurs na de oorlog te verduren door haar bemiddelende rol bij de verkoop van in beslag genomen joodse bezittingen. Het ging hierbij om ongeveer 215 miljoen gulden aan aandelen en obligaties uit joods bezit. Uit deze gelden werd onder meer een bijdrage geleverd aan de financiering van de deportatie van joden en de bouw en exploitatie van de kampen Westerbork en Vught.

Het verzilveren van de effecten gebeurde via een bijkantoor van de Lippmann-Rosenthal en co, een voormalige joodse bank die door de bezetters was overgenomen en waar vanaf augustus 1941 al het joodse vermogen moest worden ondergebracht. De bank werd zonder grote problemen beurslid. 'Er werd wel over gepraat', herinnert Schopman zich, 'Maar eigenlijk werd er toen niet bij stilgestaan.'

Uiteindelijk werden naar schatting voor 115 miljoen gulden aan joodse aandelen en obligaties door Lippmann-Rosenthal verkocht: drie procent van de beursomzet in de periode van 1941 tot 1944. Het te gelde maken van de joodse effecten was een logisch gevolg van de principes van Carel F. Overhoff, die vanaf november 1941 beursvoorzitter was. Overhoff, die in de laatste bezettingsjaren als gewestelijk commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten een bevrijdingsleger van vijfduizend man zou opbouwen, meende dat de beurshandel in het landsbelang moest blijven functioneren en dat incidenten dienden te worden vermeden.

Vanaf 1943 bleek het doel dat Overhoff zich gesteld had overigens onhaalbaar. De beurshandel kwam praktisch stil te liggen door de bevriezing van de koersen tot aan een bepaald maximum. Op last van de bezetter werden deze 'stopkoersen' stapsgewijs ingevoerd, omdat de aandelen en obligaties bij gebrek aan veel andere beleggingsmogelijkheden bij een grote vraag snel in waarde stegen en het gebrek aan aanbod de handel dreigde te ontwrichten.

De koersreacties op de nederlagen van Duitsland en zijn bondgenoten zat de bezetter bovendien ook niet lekker. 'Bij Stalingrad en andere successen was iedereen juichend, dus de koersen gingen hup... de lucht in', aldus Schopman. 'Lippmann probeerde dan de koers te drukken door onmiddellijk stukken op de markt te gooien.'

De genadeslag kwam op Dolle Dinsdag: vanaf 5 september 1944 werden geen noteringen meer gemaakt.

Na de oorlog werd de handel nog lange tijd belemmerd doordat de effecten uit vroeger joods bezit waren geblokkeerd vanwege hun onduidelijke status. Pijnlijk was daarbij de harde en lang slepende confrontatie van de bankiers, commissionairs en hoeklieden met het nog verse oorlogsverleden: niet zelden werden ze als helers van gestolen bezit afgeschilderd. Schopman: 'Die morele kwestie verstoorde de hele sfeer.' Er hingen voor honderdduizenden aandelen en obligaties procedures in de lucht die waren aangespannen door de vroegere eigenaars en hun erfgenamen. Na felle en emotionele discussies (onder andere over de bewijslast die bij de vroegere eigenaren was komen te liggen) werd pas in 1956 door middel van een waarborgfonds van de beurs het grootste deel van de zaken met een geldelijke vergoeding geschikt.

Na de oorlog verklaarde voorzitter Overhoff weliswaar dat de behandeling van de joden 'een zwarte bladzij' in de geschiedenis van de beurs was, maar over het verhandelen van de joodse aandelen en obligaties heeft hij nooit enige twijfel laten blijken. De beursvoorzitter beschouwde het als het minste kwaad: op deze manier waren de opbrengsten en de onderliggende effecten tenminste in Nederland gebleven en niet over de grens verdwenen. In brede kring is echter twijfel gerezen over dit argument. 'We hebben op dat punt gefaald. Achteraf bekeken hadden we de beurs moeten sluiten', meent Jan Schopman.