Bonn houdt voet bij stuk in overleg met DDR over unie

BONN, 2 mei - Voor het wegvallen van consumentensubsidies zullen lagere inkomensgroepen in de DDR iets ruimer worden gecompenseerd wanneer de Duitse monetaire unie op 2 juli een feit wordt. Deze verbetering, vooral voor AOW'ers, moet echter worden gevonden via verschuivingen binnen het financiele kader dat de Westduitse regering eerder heeft aangegeven.

Deze conclusie is gisteren in Bonn getrokken na de derde (tweedaagse) ronde van het ambtelijk vooroverleg over het ontwerp-staatsverdrag dat de voorwaarden moet regelen van de monetaire, economische en sociale unie van de DDR en de Bondsrepubliek. De bondsregering heeft vorige week voor 2 juli een wisselkoers tussen D-mark en Ostmark aangeboden van 1 op 1 voor lonen, pensioenen en spaartegoeden tot 4.000 mark en van 1 op 2 voor grotere spaartegoeden en bedrijfsschulden. Bovendien wordt de Oostduitse AOW verhoogd tot 70 procent (in D-mark) van het laatste netto inkomen (nu 50 procent in Ostmark) en zal de Bondsrepubliek zorgen voor aanloopfinanciering van een werkloosheids- en ziektekostenverzekering naar Westduits model. Bonn zei daarmee te zijn gegaan tot de 'bovengrens van wat nog te verdedigen is'.

Dat de Westduitse regering vasthoudt aan het aanbod van begin vorige week, bleek gisteren indirect ook uit opmerkingen van DDR-onderhandelaar Gunther Krause, parlementair staatssecretaris van premier De Maiziere. Krause noemde de totnutoe bereikte resultaten 'in het belang van alle burgers'.

Hij gaf geen details maar zei wel: 'We willen de stabiliteit van de D-mark niet in gevaar brengen, het gaat erom een mislukt economisch stelsel om te zetten in een markteconomie met stabiel geld.'

Krause leek daarmee te reageren op eerdere waarschuwingen van de Westduitse minister van financien, Waigel (CSU), en de Bundesbank, de Westduitse centrale bank, in Frankfurt. Die hebben gewaarschuwd dat inwilliging van aanvullende financiele wensen van de DDR, zoals kwijtschelding van de Oostduitse bedrijfsschulden (260 miljard Ostmark), compensatie voor de afschaffing van prijssubsidies of een hogere grens voor de 1 op 1 koers voor spaartegoeden, de stabiliteit van de D-mark zou kunnen bedreigen. Van het staatsverdrag zullen eind deze week slechts de grote financiele lijnen bekend zijn, zo is gisteren meegedeeld. De ambtelijke onderhandelaars van de beide Duitse staten zullen er waarschijnlijk niet in slagen voor de Oostduitse gemeenteraadsverkiezingen van aanstaande zondag nog akkoorden op alle punten van de lijvige verdragstekst te bereiken. Volgens de Westduitse onderhandelaar Hans Tietmeyer, lid van de directie van de Bundesbank en tijdelijk als adviseur uitgeleend aan kanselier Kohl, is er echter wel 'consensus op hoofdzaken', onder andere over de wisselkoersen. Morgen en vrijdag wordt in Oost-Berlijn verder onderhandeld. Voor 2 juli moet het onderhandelingsresultaat door de regeringen en parlementen in Bonn en Oost-Berlijn worden goedgekeurd, wil de monetaire unie dan een feit kunnen zijn. Tietmeyer zei te vertrouwen dat dit tijdschema haalbaar is.

Voor de Oostduitse regeringscoalitie, en vooral voor de Ost-SPD, is het een moeilijk punt dat per 2 juli niet alleen de monetaire soevereiniteit van de DDR eindigt maar bovendien in het staatsverdrag wordt bepaald dat alsdan direct alle Oostduitse wettelijke regels die in strijd zijn met de uitgangspunten van de markteconomie buiten werking raken.

Maar omgekeerd neemt onder politici in de Bondsrepubliek kritiek toe op de eisen van de DDR voor 2 juli. De ondervoorzitter en financieel specialiste van de (oppositionele) SPD-fractie in de Bondsdag, mevrouw Matthaus-Maier, vindt dat de DDR in de financieringsmaatregelen voor de monetaire unie zelf een grotere bijdrage moet leveren. Zij wees erop dat de Oostduitse staat als eigenaar van 'volkseigen' bedrijven, grond en kapitaal over honderden miljarden mark beschikt die zij door verkoop (privatisering) beschikbaar kan maken.

Mevrouw Matthaus noemde het 'onaanvaardbaar' dat Bonn de DDR financieel grootscheeps te hulp komt, en daarvoor zelfs de sociale fondsen wil aanspreken, terwijl in de DDR nog steeds stukken grond voor 'een appel en een ei' worden verkocht aan gewezen SED-functionarissen. Zij meent ook dat de DDR zelf bereid moet zijn om via privatisering van staatseigendom de schulden van Oostduitse bedrijven aan de overheid over te nemen. Vroeg dit voorjaar, nog voor de Bondsregering en ondanks bedenkingen van vele prominente SPD'ers, pleitte de sociaal-democratische specialiste voor een snelle Duitse monetaire unie. Volgens haar is die unie nu des te meer nodig, omdat zelfs bij de door Bonn voorgestelde 1 op 2 wisselkoers voor die schulden in de DDR 'veel bedrijven onnodig failliet gaan en de Westduitse belastingbetalers dan voor de zo ontstane werkloosheid moeten betalen'.

'Alleen als het lukt om, door een gepaste eigen bijdrage van de DDR, de kosten van de Duitse eenheid eerlijk te delen, kan worden verhinderd dat zij wordt gediscrediteerd', aldus mevrouw Matthaus.

FDP-voorzitter graaf Lambsdorff, oud-minister van economische zaken, ging in een interview met een Berlijnse krant gisteren nog een stap verder. Hij vindt dat de DDR 'eindelijk' de economische voorwaarden moet scheppen die nodig zijn om de monetaire en economische unie dadelijk tot een succes te maken. Hij dreigde dat de FDP straks haar goedkeuring aan het Duits-Duitse staatsverdrag zal onthouden als de DDR-regering niet afziet van haar plan, zoals aangekondigd door premier De Maiziere in zijn regeringsverklaring, om de verkoop van grond en ander onroerend goed (aan buitenlanders) te verbieden en slechts erfpacht (voor DDR-burgers) toe te staan. Lambsdorff: 'Op die basis komen er in de DDR geen particuliere investeringen. Ik ben er alleen voor om een staatsverdrag te sluiten als de DDR voldoet aan basisvoorwaarden van de sociale markteconomie.' Lambsdorff voorziet dat de DDR ook na de totstandkoming van de monetaire unie voor de voortzetting van haar economische leveranties aan de Sovjet-Unie en andere Oosteuropese landen nog enige tijd in de niet-converteerbare valuta van die landen zal worden betaald. Dat lijkt hem ook beter omdat de Oosteuropese klanten anders, als zij in D-mark moeten betalen, hun bestellingen net zo goed kunnen doen bij beter producerende Westeuropese partners, bij de Bondsrepubliek bijvoorbeeld. 'De DDR en wij in de Bondsrepubliek zullen de roebel moeten aanvaarden tot de DDR-economie een westelijk kwaliteitsniveau heeft bereikt', aldus Lambsdorff, die meent dat de mindere kwaliteit Oostduitse exportprodukten voorlopig toch nog weinig kans op de Westerse markt geeft. Zijn economisch geinspireerde opvatting is ook daarom interessant omdat de Sovjet-Unie aan haar instemming met de Duitse eenwording onder meer de voorwaarde verbindt van voortzetting van de bestaande omvangrijke Oostduitse exportverplichtingen jegens haar.