BANKIER VAN HET VERZET; De 'olieman' gebruikte Amsterdamsebeurs als uitvalsbasis

In de oorlogsjaren zorgde het Nationale Steunfonds voor financiele hulp aan onderduikers, gezinnen van gijzelaars en gevangenen en aan het verzet. De grote man achter deze bank van de illegaliteit was Walraven van Hall, 'minister-president van alles wat verzet was'. Een herinnering.

Het moet een avond in de laatste oorlogswinter zijn geweest, zijn dochter weet de datum niet meer precies, dat Walraven van Hall, ook bekend onder de schuilnamen Van Tuyl en Barends, opgebrand door het werk van de laatste maanden en uitgeput door de tocht vanuit Amsterdam per fiets met houten banden, bij zijn vrouw en drie kinderen in Zaandam aankwam.

Van Hall was dermate vermoeid, dat zijn vrouw besloot twee zorgvuldig opgespaarde suikerklontjes te offeren. Het is het laatste beeld dat zijn oudste dochter, mevrouw Attie Jongeneelen-Van Hall van haar vader heeft. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39-ste verjaardag, werd Wally van Hall, de effectenmakelaar aan de Amsterdamse beurs die later bekend zou worden als 'de bankier van het verzet', aan het Spaarne in Haarlem door de Duitsers gefusilleerd.

Wally van Hall behoort tot de 85 handelaren op de Amsterdamse beurs die de oorlog niet zouden overleven. Samen met zijn broer Gijs, de latere burgemeester van Amsterdam, was hij firmant bij het bankiers- en effectenkantoor Weduwe te Veltrup in Zaandam. Als oud-Amsterdams patriciers-geslacht - hun vader was jarenlang bestuurslid en in het eerste jaar van de oorlog zelfs voorzitter van het beursbestuur - hadden de Van Halls in financiele kringen een klinkende naam. Een naam die zeker heeft geholpen bij het over de streep trekken van banken en vermogende particulieren bij de opzet van het Nationaal Steunfonds (NSF), de organisatie die gedurende de oorlogsjaren in totaal 84 miljoen gulden zou uitkeren aan onderduikers, aan gezinnen van gijzelaars en gevangenen en aan het verzet.

Dekmantel

Met tien van de grootste banken in Nederland en talloze vermogende particulieren als vaste kredietverstrekkers kon het NSF aan het einde van de oorlog worden gerekend tot de grootste financiele instellingen van het land. Samen met Iman van den Bosch, procuratiehouder bij Philips en eind 1942 gefusilleerd, zette de onconventionele bankier Van Hall een organisatie op met uiteindelijk 1900 vaste medewerkers. Compleet met lening-agenten, kassiers, een kassier-generaal en 23 districtshoofden.

De Amsterdamse beurs vormde de uitvalsbasis van de gebroeders Van Hall. Tot aan zijn arrestatie eind januari 1945 was Wally van Hall vrijwel dagelijks op de beursvloer te vinden. De beurs, waar dagelijks zonder enige vereiste toestemming honderden mensen bijeenkwamen, was een handige dekmantel voor de werkelijke aktiviteiten van Van Hall. 'Hij had veel contacten en op de beurs kon je je heel handig in een hoekje terugtrekken', zegt zijn dochter.

De organisatie van het NSF was niettemin gebaseerd op een zo strikt mogelijke geheimhouding, veel medewerkers wisten niet eens wat de naam van hun contactpersoon was. Alleen Wally van Hall had het overzicht over de gehele organisatie. Eind 1944, toen het NSF de centrale organisatie was waar verzets- en onderduikorganisaties om geld konden aankloppen, was Van Hall de spil van vrijwel alle illegale activiteiten in Nederland. 'Na de septemberdagen van 1944 was Wally 'Minister-president van alles wat verzet was', verklaarde na de oorlog de Amsterdamse suikerhandelaar John van Marle, wiens kantoor fungeerde als centrale kas van het NSF.

Olieman

Daarbij nam Van Hall, die volgens familie en bekenden zijn werkinzet, organisatietalent en doorzettingsvermogen wist te combineren met gevoel voor humor, optimisme en het vermogen mensen weer moed in te praten, meer dan alleen een passieve rol van financier in. Veel emotionele ruzies tussen de verschillende zuilen in het verzet werden door de charismatische Van Hall in zakelijke discussies omgezet en tot een goed einde gebracht, een eigenschap die hem de bijnaam 'olieman' opleverde.

Het NSF verkreeg zijn middelen uit giften, leningen en opbrengsten van grootscheepse fraude. De verdienste van Wally van Hall die samen met zijn broer Gijs in New York ervaring had opgedaan in de financiele wereld, bestond eruit dat hij reeds in een vroeg stadium van de bezetting concludeerde dat het alleen zin had grote bedragen bijeen te brengen. Hiertoe ontwierp hij een waterdicht administratiesysteem voor leningen dat moest garanderen dat de geldschieters - toch al terughoudend te investeren in illegale activiteiten - na de oorlog ook daadwerkelijk hun geld terug zouden krijgen.

Als bewijsstuk voor hun stortingen kregen de geldschieters een waardeloos aandeel of obligatie (bij voorbeeld uit het Rusland van voor de revolutie). Van Hall hield in een register bij welk bedrag er bij welk stuk hoorde. Een dergelijke registratie garandeerde de anonimiteit van de geldschieter.

Op deze manier wisten de Van Halls in 1942 een half miljoen gulden binnen te halen. De geldinzameling kwam echter pas goed op gang als gevolg van een maatregel die de Duitsers begin 1943 namen: alle biljetten van duizend gulden dienden te worden ingeleverd en werden na 13 maart ongeldig verklaard. De tegenwaarde zou alleen worden uitgekeerd indien was komen vast te staan dat de biljetten op bona fide wijze waren verkregen.

Duizendjes

Wat in eerste instantie een probleem leek, het NSF zat met zijn eigen voorraad van tweehonderd biljetten van duizend gulden opgescheept, bleek uiteindelijk een enorme stimulans voor de financiering van het verzet. Een rondgang van de gebroeders Van Hall leerde immers dat er voldoende afzetmogelijkheden voor biljetten waren bij banken en handelsondernemingen die de extra duizendjes zonder al te veel problemen konden verantwoorden. Op die manier raakte het NSF niet alleen zijn eigen vooraad kwijt, maar kon het tevens van andere personen en bedrijven duizendjes lenen en omwisselen. Binnen twee weken had het fonds 600.000 gulden meer in kas: meer dan er over het gehele voorgaande jaar aan uitkeringen was uitbetaald.

De maatregel had het bijkomende voordeel dat er contacten werden gelegd met belastinginspecteurs die door de bezetters met de controle van de herkomst van de biljetten waren belast. Een aantal van hen leverde niet alleen nog meer adressen om de biljetten van duizend onder te brengen, maar ging tevens zelf als tussenpersoon voor het NSF fungeren. Dit zogenaamde belastingverzet zou in 1943 en 1944 uitmonden in een omvangrijke fraude met belastingaanslagen en in totaal voor 5,4 miljoen gulden bijdragen aan het NSF. De grote financiele doorbraak van het NSF volgde echter na de Spoorwegstaking van 17 september 1944. Als gevolg hiervan kreeg het NSF onverwacht de zorg voor 30.000 spoorwegstakers en hun gezinnen. Overleg tussen Wally van Hall, acht Amsterdamse banken en beursvoorzitter Carel Overhoff hielp het NSF slechts tijdelijk uit de brand.

Gijs van Hall bedacht de oplossing voor het probleem naar het voorbeeld van een grootscheeps financieel schandaal bij de Zweedse maatschappij Kreuger en Toll, waar hij in de jaren dertig in New York mee te maken had gehad. Het plan kwam erop neer dat schatkistpromessen - overheidsleningen die binnen een jaar worden terugbetaald - uit de kluizen van De Nederlandsche Bank werden vervangen door vervalste stukken. De echte schatkistpromessen werden verkocht aan een vijftal banken en de opbrengst gestort in het NSF. Op deze wijze zou uiteindelijk voor 51 miljoen gulden uit de kluizen van de bank worden ontvreemd. Na de oorlog heeft de Staat de houders van de echte schatkistpromessen uitbetaald en de valse papieren bij de bank vernietigd.

Bij kaarslicht

In de plannen, die ondermeer door bemiddeling en met toestemming van de voormalige bankpresident mr. L. J. A. Trip tot stand kwamen, speelde mr. C. W. Ritter, de kassier-generaal van De Nederlandsche Bank, een centrale rol. Ritter zou onder de ogen van de foute top van De Nederlandsche Bank de vervalste schatkistpromessen via koeriers het bankgebouw aan het Rokin binnenbrengen.

Na het stilvallen van het openbaar vervoer bleef Ritter, die in Haarlem woonde, op de bank overnachten. 's Avonds verving de kassier-generaal in de kelderkluizen van de bank de echte schatkistpromessen door de valse. 'Dat moest bij kaarslicht gebeuren, want de verlichting was uitgevallen', weet zijn zoon ir. J. Ritter, zelf gepensioneerd technisch directeur van De Nederlandsche Bank. Hij denkt dat het gebrekkige zicht bij het kaarslicht in de kluizen tevens een van de redenen is geweest dat de vervalsing nooit door de Duitsers is ontdekt.

Ofschoon Ritter senior voor zijn aandeel in de promesse-fraude na de oorlog is onderscheiden en de vervalsing voor wat zijn omvang betreft het huzarenstuk van het financiele verzet in Nederland mag worden genoemd, is er door De Nederlandsche Bank nooit veel ruchtbaarheid aan gegeven. De bank, waar de etiquette onder andere voorschreef dat het personeel na een onderhoud een directiekamer achteruit tredend diende te verlaten, werd liever niet herinnerd aan de mogelijkheid van fraude binnen de eigen muren. 'Het is jarenlang weggemoffeld, om niet te zeggen verzwegen', zo herinnert ir. Ritter zich. 'De bank was nogal gegeneerd dat zoiets kon. Publikatie zou maar narigheid geven, vond men.' De schatkistpromessen en leningen, waarvoor de regering in Londen na veel vijven en zessen uiteindelijk voor een belangrijk deel garant stond, zorgden dat er gedurende de laatste oorlogswinter binnen de illegaliteit geen gebrek was aan geld. Dankzij de leenbewijzen en de promessen konden de leningen na de oorlog worden afgelost. Op het hoogtepunt van het NSF, 28 januari 1945, viel Walraven van Hall door verraad in handen van de Sicherheits Dienst bij een vergadering over de oprichting van de Stichting 1940-1945. Pas na tien dagen kwam de SD er achter dat zij 'Van Tuyl', van wie zij wisten dat hij een centrale rol in het verzet speelde, in hun cel hadden. Vier dagen later werd hij, zonder enige bekentenis te hebben afgelegd samen met twee andere verzetstrijders, geexecuteerd.

Met dank aan Geert Mak en de VPRO Radio. Voor dit artikel werd geput uit diverse publikaties waaronder 'Het Koninkrijk der Nederlanden' van prof. dr. L. de Jong, 'Een eeuw vol effecten' van prof. dr. J. de Vries en 'De bank van de Gulden' van J. L. de Jager.