Veertig miljoen voor museum in oude aardewerkfabriek; Bonnefanten bij Sphinx: 'rive droite' van Maastricht

MAASTRICHT, 1 mei - De aardewerkfabriek Sphinx-Ceramique bij de Kennedybrug in Maastricht ligt er verlaten bij. De glazen lichtbogen in de langgerekte halfronde daken vertonen ernstige tekenen van verval en de schoorsteen met het zinken waterreservoir is gedeeltelijk afgebroken om ongelukken te voorkomen. Op het omliggende terrein zijn sloopwerkzaamheden in volle gang.

Toch doen de gemeente Maastricht en de provincie Limburg er alles aan om het complex te behouden. Het moet onderdak gaan bieden aan een deel van het Bonnefantenmuseum, dat met hulp van een investering van 40 miljoen gulden een ontmoetingsplaats moet worden voor kunstenaars en kunstliefhebbers. Voor dat geld had een nieuw museum gebouwd kunnen worden, maar gemeente en provincie zien een verbouwde fabriek als kroon op het Sphinx-Ceramiqueplan, de toekomstige 'rive droite' van Maastricht. Beide instanties hebben ook andere redenen om de fabiekshallen voor sloop te behoeden. Hoe chic de nieuwe wijk ook wordt, Maastricht wil zijn afkomst niet verloochenen. Het gebouw moet de band met de historie symboliseren, toen de 'pottemennekes' hier WC-potten en wasbakken vervaardigden. Bovendien is dit volgens architectuurhistorici de eerste grote constructie in Nederland, die in gewapend beton is uitgevoerd.

De aardewerkfabriek van de Societe Ceramique uit 1912 wordt algemeen beschouwd als een voorloper van het Nieuwe Bouwen. De ontwerper, ir. Jan Gerko Wiebenga, verdiende er het epitheton Apostel van het Nieuwe Bouwen mee. De hallen zijn de bouwhistorie ingegaan als Wiebenga-hallen, maar volgens de Maastrichtse architect ir. J. B. Vercauteren, die zich in de bouwhistorie van de Societe Ceramique heeft verdiept, kan het ontwerp met evenveel recht worden toegeschreven aan de toenmalige Duitse directeur P. J. Lengersdorff. Deze had in Duitsland de techniek van het bouwen in gewapend beton leren kennen en wilde die methode toepassen in Maastricht. Lengersdorff had voor het bakken van grote stukken sanitair een nieuw model tunnelovens bedacht, die op gas in plaats van kolen werden gestookt. Daarvoor waren lange fabriekshallen nodig met verdiepingen voor het stoken van de ovens en het glazuren van de eindprodukten. De jonge civiel ingenieur Wiebenga, die toen juist in dienst was getreden van de Bredase bouwmaatschappij Stulemeijer, kreeg opdracht berekeningen uit te voeren voor het betonnen skelet en het gebogen schaaldak van vijf hallen, waarvan er in eerste instantie drie werden gebouwd. De half in de grond verzonken ovens werden gemetseld, omdat bakstenen beter bestand bleken tegen temperatuurschommelingen.

Wiebenga trad bij de bouw puur als constructeur op. Hij keek alleen naar de functie en niet naar de fraaiheid van het ontwerp. Volgens Vercauteren heeft hij hier geleerd te werken met gewapend beton, welke kennis hij later onder meer toepaste bij de constructieberekeningen voor de Van Nelle-fabriek. De Wiebenga-hallen zijn tot in de jaren zeventig gebruikt voor de fabricage van aardewerk.

Over een maand zal al duidelijk zijn of de hallen kunnen worden behouden. Aldo Rossi is door de provincie Limburg aangetrokken het nieuwe museum te ontwerpen. Als eerste onderdeel van de opdracht voert Rossi een ruimtestudie uit met de Wiebenga-hallen als basis. Hoe meer daarvan bruikbaar is als museumruimte, des te minder nieuwbouw er hoeft te komen. Maar de provincie sluit niet uit dat de hallen onbruikbaar blijken. Daarom is Rossi gevraagd als alternatief een eerste schets te maken voor een compleet nieuw gebouw, dat een vergelijking mogelijk maakt met 'vernieuwbouw' van de Wiebenga-hallen. 'Het gebouw ziet er niet onaardig uit, maar architectonisch is het nauwelijks interessant. De waarde zit in de constructie, in de prestatie van de ingenieur, ' zegt Umberto Barbieri. Hij assisteert zijn vroegere studiegenoot Rossi bij diens Noordeuropese projecten. 'Rossi gaat er altijd van uit dat het zonde is om af te breken wat je hebt. Maar je moet natuurlijk ook kijken of het gebouw dat je hebt geschikt is als museale ruimte. En als je het laat staan, moet je laten zien waarom je het laat staan. Dan moet het skelet in ieder geval zichtbaar blijven.'

Afhankelijk van de resultaten van de ruimtestudie verwacht Barbieri dat minimaal een derde en maximaal de helft van het nieuwe museum uit elementen van de Wiebengahallen zal bestaan. De hal die haaks op de Maas staat en de hoge middenhal met een zijhal die parallel loopt aan de Maas zouden dan behouden blijven.

De Limburgse gedeputeerde voor cultuur, drs. G. Kockelkorn, heeft 'uit respect voor het industrieel-culturele monument' voorkeur voor hergebruik van de fabriek. 'Maar je moet natuurlijk wel eerst laten uitzoeken of dat financieel haalbaar is. Ik had aanvankelijk bedenkingen vanwege de ouderdom van het gebouw. Het staat er al bijna zeventig jaar en als je het Bonnefantenmuseum erin onderbrengt moet het nog de nodige tijd mee. Volgens experts is de constructie nog in goede staat. Enige aarzeling heb ik over de vraag of de ruimtes hoog genoeg zijn. Als dat niet zo is, is dat met nieuwbouw op te vangen, maar dan blijft een kleiner deel van het oude gebouw behouden.' Meer nog dan de provincie hechten de andere partijen die bij de bouw zijn betrokken, de gemeente Maastricht en de directie van het Bonnefantenmuseum, aan het behoud van de Wiebenga-hallen. De gemeente heeft zelfs de Limburglaan, die in het oorspronkelijke Ceramiqueplan van architect Jo Coenen de wijk kaarsrecht doorsneed, een knik gegeven, zodat de laan nu achter de hallen door loopt.