'Tijd is rijp om opleiding van leraar aan te pakken'

ROTTERDAM, 1 mei - De opleiding van onderwijzend personeel moet op een nieuwe leest worden geschoeid, stelde Tweede Kamerlid J. Franssen (VVD) anderhalf jaar geleden al voor. De vele, versnipperde opleidingen moesten worden samengevoegd in tien tot twaalf 'educatieve faculteiten', vond hij. Zijn plan is nieuw leven ingeblazen door het recente rapport van deskundigen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over het Nederlandse onderwijs. Daarin wordt de lerarenopleiding aangemerkt als een van de zwakke plekken in het onderwijsbestel. 'Het vak van leraar moet opnieuw worden gewaardeerd als een waardevol, maatschappelijk erkend beroep met carriere-perspectief', zei Franssen eind 1988, in zijn pleidooi voor een drastische herziening van de lerarenopleidingen. 'Het vak heeft als professie nooit echt aandacht gekregen in het beleid. De tijd is nu rijp om de opleiding van de onderwijsgevenden aan te pakken.' De toenmalige minister van onderwijs Deetman zag op korte termijn niet erg veel in Franssens wens om alle opleidingen te concentreren in educatieve faculteiten. Ook de huidige staatssecretaris Wallage heeft het idee nog niet echt omhelsd, omwille van de rust in het onderwijs. Maar vorige week kreeg Franssen wel onverbloemd steun van de OESO-deskundigen, al was hun woordkeus dan wat genuanceerder. Ook zij maken zich zorgen over de professionaliteit van de leraar, over de organisatie van de opleidingen en over de bijdrage die de talrijke verzorgings-instellingen en school-begeleidingsdiensten aan het onderwijs leveren.

Hoog tijd

Met de bevindingen van de OESO in de hand is het volgens Franssen hoog tijd om knopen door te hakken, ook al betekent dit ingrijpende veranderingen voor het personeel van de lerarenopleidingen, de school-begeleidingsdiensten en de verzorgingsinstellingen. In de educatieve faculteiten moeten de PABO's (de pedagogische academies voor het basisonderwijs) samengaan met de opleidingen voor leraren in het speciaal onderwijs en de voltijdse en deeltijdse opleidingen voor eerste- en tweede-graads-leraren.

Franssen: 'Die faculteiten moeten een eigentijds opleidingsconcept krijgen, een fundamentele en een praktijkgerichte onderzoekafdeling en wat ik voor het gemak maar een 'vertaalbureau' noem, dat maatschappelijke tendenzen en technologische vernieuwingen omzet in materiaal dat voor de opleiding bruikbaar is.' Kwaliteitsverhoging is een belangrijk argument van Franssen. Zoals opgemerkt door de OESO-deskundigen raakt kennis en ervaring nu versnipperd over relatief kleine instituten. Die zijn daardoor niet in staat studenten een voldoende brede opleiding te bieden. Daarnaast missen de docenten de vaak zo vruchtbare 'kruisbestuiving' tussen hun opleidingen. 'Daarom vind ik dat niet alleen de verschillende opleidingen gebundeld moeten worden - om zo de kansen op uitwisseling van wat er in de verschillende soorten onderwijs gebeurt te vergroten. Ik vind ook dat de educatieve faculteiten samenwerkingsverbanden met de universiteiten moeten sluiten.' Franssen wil tevens dat nog eens kritisch gekeken wordt naar de dure verzorgingsstructuur rond het onderwijs. School-begeleidingsdiensten, stichtingen voor leerplanontwikkeling, toetsontwikkeling en onderwijsonderzoek en de verzuilde pedagogische centra, leveren volgens de OESO in vergelijking met andere landen hoge kwaliteit, maar ze zijn erg duur. Bovendien is hun doeltreffendheid door competentiegeschillen, verzuiling en gebrek aan coordinatie minder dan zij zou kunnen zijn. Franssen vindt dat de taken van deze verzorgingsstructuur grotendendeels moeten worden ondergebracht waar ze volgens hem thuishoren: bij de opleidingen. In educatieve faculteiten zouden de toekomstige leraren zo niet alleen een bredere opleiding krijgen, die opleiding heeft dan ook een directe aansluiting op het dagelijkse leven in de klas.

Weerstand

Het Kamerlid beseft dat zijn voorstel in de praktijk op veel weerstand zal stuiten. In het afgelopen decennium is al duidelijk gebleken hoezeer met name in confessionele kring gehecht wordt aan 'eigen' opleidingen, hoe klein ook. Volgens de OESO-deskundigen is het echter onvermijdelijk dat de kleine instituten verdwijnen. Geloofsovertuiging hoort volgens hen in de opleidingsstructuur ook helemaal geen rol te spelen. Levenbeschouwelijke vorming kunnen de toekomstige docenten wel via hun stage krijgen, merken ze op.

De educatieve faculteiten komen morgen aan de orde in de Tweede Kamer. De vaste commissie voor onderwijs en wetenschappen heeft dan bijna twaalf uur uitgetrokken voor overleg met Wallage, onder andere over het dreigende tekort aan leraren en de opleidingen. 'Het CDA ligt dwars, dat is duidelijk', zegt Franssen. 'Maar ik denk dat binnen sterke educatieve faculteiten juist veel meer ruimte is voor levensbeschouwelijke profilering dan in veel van die kleine opleidingen.'

In zijn brief over het leraarschap en de lerarenopleidingen is Wallage positief over de educatieve faculteit, stelt Franssen vast. 'Maar hij durft kennelijk de strijd met het CDA niet aan. Daarom vlucht hij in het argument dat de lerarenopleidingen nu vooral rust nodig hebben. Je houdt dan de mensen aan het lijntje, vind ik. Beter is het daarom nu maar de knopen in een keer door te hakken. Dan weet iedereen waar hij aan toe is en kan men aan de realisatie gaan werken. Die zal toch nog wel zo'n tien jaar vergen.'