Ideeen

Een tijdje geleden sprak de Tsjechoslowaakse schaker Hort in een interview in Het Parool over de partijfunctionarissen die hem jarenlang het leven hadden zuur gemaakt. Wat waren dat eigenlijk voor mensen? Lieden van het laagste niveau. Nog geen klein briefje konden ze schrijven zonder grove spel- en stijlfouten. Een paar dagen later werd Hort scherp terechtgewezen door een boze lezer. Wat een schandelijke discriminatie van mensen die geen brieven konden schrijven. Hadden die soms minder recht op een hoge politieke positie dan anderen? Hort moest zich schamen dat hij zo uit de hoogte had gedaan. Een scherpe neus voor de tijdgeest had deze briefschrijver. Veel meer dan de Partij van de Arbeid, die 85 intellectuelen aanschreef om ze te vragen het debat binnen de sociaal- democratie meer spirit, elan en diepgang te geven.

Kunstenaars en intellectuelen nauwer betrokken bij de politiek. Net als vroeger, toen het nog gezellig was. Wat moeten zij daar eigenlijk doen? De ontvangers van de brief lijken niet geselecteerd op hun vermogen om concrete practische problemen op te lossen. Ideeen, daar gaat het om. Die schrijven velen van hen al op. Zouden ze opeens overtuigender klinken als ze naar voren werden gebracht in een debat dat door de partij was georganiseerd? Wie kwaadwillig is zal denken dat de intellectuelen heel hard zullen moeten schreeuwen om gehoord te worden door de ruwe klanten uit de praktijk. Wie verstandig is beseft dat het niet waarschijnlijk is dat ze iets zullen bedenken dat voor de practici zowel nieuw als nuttig is.

Een briljant intellectueel in de politiek, dat was Jacques de Kadt. Zaterdag stonden in verschillende kranten besprekingen van de biografie die over hem verschenen is. Alle recensenten bewonderden De Kadt. Tien jaar geleden zou het anders zijn geweest. De mensen die nu zo gunstig over hem denken deden dat toen ongetwijfeld ook (hoewel, van Martin van Amerongen lijkt het me nog de vraag), maar de kranten zouden andere besprekers hebben uitgenodigd.

Een van de dingen die ik indrukwekkend vind van De Kadt is zijn bespreking van Wittgensteins Philosofische Untersuchungen. Intussen is een kast vol commentaren op dat werk verschenen. De Kadt moest alles zelf bedenken. Het is verbluffend hoe deze politieke essayist meteen de spijker op de kop sloeg. Hij maakte een vergelijking met Wittgensteins eerste werk, de Tractatus. Hij zag in dat het nieuwe boek voor een groot deel gezien kon worden als een polemiek met het oudere werk. Hij besefte dat veel van de resultaten die daarin bereikt leken, nu werden opgegeven. Hij was teleurgesteld.

Als je dit stukt leest - het staat in een verzamelbundel, maar ik ben vergeten welke - besef je: deze tijd komt niet weerom. Er zullen vast nog wel kamerleden zijn die een interessant stuk over een filosoof zouden kunnen schrijven. Dat ze een filosoof uit zouden kiezen van wie slechts enkele vaklieden gehoord hebben, is niet waarschijnlijk. Er is een ander verschil, dat belangrijker is. Een politicus die zo'n stuk zou schrijven zou dat zien als iets dat buiten zijn politieke werkzaamheden ligt. De mens leeft niet bij politiek alleen. De Kadt was alleen in politiek geinteresseerd en hij schreef alleen over politiek, maar voor hem was die zo veelomvattend dat hij een geschrift over logica kon opvatten als een brandende politieke kwestie.

In de Volkskrant merkte Bart Tromp op dat De Kadt de politiek altijd analyseerde als een strijd van ideeen, zonder zich erg druk te maken om hun institutionele en organisatorische verankeringen. Het maakt dat ik zijn werk nog altijd boeiend vind. Het maakt ook dat een intellectueel als De Kadt tegenwoordig op vele plekken van de wereld nog grote politieke invloed zou kunnen hebben, maar niet in Nederland.

Een historicus die de na-oorlogse geschiedenis van Nederland zou schrijven zou zich beslist niet concentreren op de ideeenstrijd. Zou hij zich verdiepen in het debat over het ethisch reveil? Natuurlijk niet. Hij zou naar de instituten kijken. De ministeries en de verschillende ambtelijke burocratieen. De universiteiten, die uit hun voegen barstten. De sociale verzekeringsfondsen. De bedrijven met nieuwe apparaten. Zijn geschiedenis zou sociologisch zijn en de politiek zou, met uitzondering van de koloniale oorlogen in Indie, een klein plaatsje krijgen, als een begeleidend muziekje.

Je kan er om treuren dat er in de politiek weinig meer te doen valt voor intellectuelen van het type De Kadt. Wat je niet kan zeggen is dat alles beter zou gaan als er een nieuwe lading intellectuelen over de politiek zou worden uitgestort. Het is helemaal niet waar dat er grote behoefte is aan nieuwe frisse ideeen. Ideeen in overvloed. De Partij van de Arbeid heeft een wetenschappelijk instituut. Er werken verstandige mensen, die regelmatig verstandige rapporten publiceren. Veel directe invloed op de politiek hebben die niet, maar is dat zo erg? De grote successen die in de politiek behaald kunnen worden door intellectuele leeghoofden moeten ernstig genomen worden. In Vrij Nederland stond een foto van Reagan met een stuk van de Berlijnse muur dat hij cadeau had gekregen. Een passend geschenk, schreef hoofdredacteur Ferdinandusse. Reagan had immers zeer veel bijgedragen aan de verdwijning van die muur. Een opmerkelijke bekentenis in een onopvallend krantehoekje. Was het dan wel terecht geweest om altijd zo hard tegen hem tekeer te gaan, of was het maar intellectueel snobisme? De Westduitse bondskanselier Kohl wordt algemeen als een domoor beschouwd. Niemand heeft ooit iets interessants van hem vernomen. Hij spreekt geen Engels. Zijn voorganger Schmidt was juist heel slim. Toch is het moeilijk om te bedenken in welk opzicht hij de Duitse staat beter bestuurd zou hebben dan Kohl. In Nederland wordt altijd meewarig gedaan over minister Alders. Experiment lijkt te mislukken, zei een krantekop. Bedoeld was: het experiment om iemand die niet in staat was om de middelbare school te volgen, minister te maken. Heel voorbarig, denk ik. Het experiment met zwakbegaafden aan de politieke top is nog lang niet afgelopen. Erg slecht doen ze het meestal niet. Erg goed ook niet, maar een denktank van de vrijzwevende intelligentsia kan niet helpen.