DDR is op weg de afvalbak van West-Europa te worden

OOST-BERLIJN, 1 mei - De milieu-organisatie Greenpeace vreest een massale toename van de afvalexporten uit de Bondsrepubliek naar nieuw te bouwen verbrandingsovens in de DDR. In een zaterdag gepubliceerde verklaring heet het, dat de industrie en gemeenten uit de Bondsrepubliek druk bezig zijn hun nieuwe Oostduitse partnersteden zo te bewerken dat toestemming wordt verkregen voor gigantische projecten die in het Westen niet meer zijn uit te voeren. Dat laatste is waar.

Zaterdag demonstreerden in Stuttgart ruim 60.000 mensen tegen de verbrandingsovens in Baden-Wurttemberg. In Munchen regeert sinds afgelopen weekeinde een rood-groen stadsbestuur. Daar wordt verwacht dat, gezien de toenemende weerzin onder de bevolking tegen de Beierse vuilnisbergen, het door burgercomites geeiste referendum over een scherpere afvalwet inderdaad in de herfst zal worden gehouden, en zal worden aangenomen. Volgens Greenpeace willen Westduitse en Zwitserse firma's in het district Magdeburg ovens bouwen voor jaarlijks 600.000 ton huisvuil en giftig bouw- en fabrieksafval, waarvan tweederde uit de Bondsrepubliek zal komen. De 200.000 ton ovenrestanten - slakken, vliegas - zou in de DDR gestort moeten worden of benut voor de wegenaanleg aldaar, iets wat in de Bondsrepubliek is verboden. Er zouden ten minste tien van dergelijke projecten op stapel staan voor de DDR, die deze verbranding zou worden gepresenteerd als zijnde een beter middel om energie op te wekken dan met behulp van de landschapverwoestende bruinkool. Maar meer nog dan in West-Duitsland is in de DDR zelf het verzet tegen de vuil-importen vanuit de Bondsrepubliek snel toegenomen sinds demonstranten geen gevangenisstraf meer staat te wachten. Samen met het afval uit Italie, Oostenrijk en Nederland ging er tot vorig jaar circa vijf miljoen ton afval per jaar over de grens van West- naar Oost-Duitsland: de grootste afvalhandel ter wereld. En vanuit West-Berlijn kwam daar jaarlijks nog eens bij: 50.000 ton fabrieksafval, 1 miljoen ton huisvuil en ovenresten en 3,5 miljoen ton bouwafval. De afgelopen tien jaar heeft het DDR-regime aan dit afval naar schatting tussen 1 en 2 miljard D-mark aan deviezen binnengehaald.

Maar volgens de her en der opgerichte burgercomites heeft de DDR met deze D-marken ook een serie gevaarlijk tikkende tijdbommen het land binnengehaald: in Schonberg aan de grens tegenover Lubeck en in Schoneiche, in Teets en Vorketzin bij Berlijn. Bij deze laatste drie vuilstortplaatsen is er zelfs nooit een beschermende laag tussen afval en bodem aangebracht. Het regime vond het voldoende om de vuilnisbergen met prikkeldraad, beveiligingsbeambten en honden te bewaken, om te voorkomen dat een specialist monsters ging nemen en dat belangstellende burgers er gingen wroeten naar nog bedrijfsklare cassetterecorders of tikkende horloges. Sinds de val van het regime zijn de tijden van het goedkope 'ex und Hopp', zoals de Oostduitse milieu-activisten de Westerse afvalpolitiek noemen, voorbij. Bij Schonberg is al vaak gedemonstreerd en de nieuwe burgemeester heeft zich achter de eis geschaard dat de stortplaats dicht moet. In Ketzin behaalde de actiegroep 'Redt Ketzin!' op 12 februari een spectaculaire overwinning toen de toenmalige minister voor milieu Diederich (Boerenpartij) een onmiddellijke stopzetting beval van de opname van gevaarlijk fabrieksafval uit West-Berlijn. Sinds die tijd staat met name West-Berlijn voor de afval-noodtoestand. De Senaat heeft een tijdelijke oplossing gezocht in een paar leegstaande fabriekshallen door er een extra betonnen vloertje in te leggen, om intussen naar nieuwe uitwegen voor het afval te zoeken.

Die moesten worden gevonden voor 1 mei, want dan zouden de fabriekshallen vol zijn. Vandaag is het 1 mei, en menig senator denkt stiekem terug aan de tijden dat het zo makkelijk zaken doen was met het regime-Honecker, want een oplossing is er nog niet gevonden. De Westduitse fabrieken en gemeenten noemen het hypocriet dat de Oostduitsers wel een land willen vormen, maar niet als het om het afval gaat. De reactie van de Oostduitse activisten is even reeel - 'Het is veel te gevaarlijk!' - als psychologisch begrijpelijk: 'We hebben al veertig jaar in de drek gezeten!' Of de doorsnee-Oostduitser geen verbrandingsovens in zijn omgeving zou accepteren, is nog onduidelijk. Hij wil immers zo snel mogelijk net zo veel consumeren als zijn Westduitse landgenoot. En daar is geld voor nodig. Verwacht wordt daarom dat als er nieuwe gemeenten zijn in de DDR die wel bereid zijn afval te accepteren, dit niet goedkoop zal zijn. Tot nu toe lag de prijs om een ton afval, giftig of niet, in de DDR te storten rond de 42 D-mark. Deze prijs zou snel tot vele honderden, sommigen zeggen duizend D-mark, kunnen stijgen. Dat deze prijs vele fabrikanten ertoe zal brengen contact op te nemen met de milieucriminelen die, voor een iets lager bedrag, het zaakje 's nachts langs de kant van de weg kieperen, is duidelijk. Die zijn volgens de Westberlijnse politie nu al uiterst actief geworden.