Aandacht voor Oost-Europa drukt interesse in Spanje niet

MADRID, 1 mei - In Spanje is de eerste schrik voorbij: de recente gebeurtenissen in Oost-Europa gaan niet ten koste van de investeringen in het zuiden. Het Iberische economische festijn dat voor de jaren negentig is voorzien, hoeft niet te worden afgezegd. Integendeel.

Ondanks de aandacht voor Oost-Europa blijkt, uit eind maart vrijgekomen cijfers, dat de afgelopen maanden niet minder, maar juist meer buitenlands kapitaal in Spanje is geinvesteerd. Nederland staat al sinds 1987 nummer een op de ranglijst van buitenlandse investeerders, met een aandeel van ruim vijftien procent.

De buitenlandse investeringen in Spanje stegen het afgelopen jaar naar netto 1.730 miljard peseta's (meer dan dertig miljard gulden), 62 procent meer dan in 1988. Het buitenland financiert nu meer dan een kwart van het totaalbedrag dat jaarlijks wordt geinvesteerd in de Spaanse economie. En ook de cijfers over januari van dit jaar laten een toename zien. Opvallend is dat Nederland en West-Duitsland hun investeringen in Spanje aan het begin van 1990 bijna verdubbelden ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Nederland belegde in januari 16 miljard peseta's (1988: 9 miljard), de Bondsrepubliek ging van vier naar acht miljard.

Ook de buitenlandse handel van Spanje groeide onverminderd voort en verwacht wordt dat deze trend voorlopig nog zal doorgaan. Als ondernemers al geinteresseerd zijn in het braakliggende Midden- en Oost-Europa, dan laten ze er het oogstrijpe zuiden niet voor liggen.

Premier Felipe Gonzalez persoonlijk ging eind vorig jaar bij zijn Duitse en Franse collega's op bezoek om uiting te geven aan zijn bezorgdheid over het economisch lot van zijn land in een EG die sprak over nieuwe produktiemogelijkheden en nieuwe markten in het oosten. Hoe moest het dan met de verdere integratie van Spanje, Portugal en Griekenland in de Gemeenschap? Inmiddels is die vrees vrijwel verdwenen bij Gonzalez en zijn regering. Eerder maakt men zich zorgen dat buitenlanders te veel te zeggen krijgen in het nationale bedrijfsleven en dat de aanhoudende groei van de economie tot oververhitting leidt en tot een verdere stijging van de inflatie. Die is met ongeveer zeven procent aanzienlijk hoger dan het EG-gemiddelde.

De omvang van de Nederlandse investeringen in Spanje is enigszins geflatteerd doordat een deel van de 3,4 miljard gulden die Nederlandse bedrijven vorig jaar in de Spaanse boeken lieten noteren, afkomstig is van Spaanse en Arabische ondernemingen die profiteren van het Spaans-Nederlandse verdrag ter vermijding van dubbele belastingen. Niettemin is de Nederlandse aanwezigheid in Spanje imposant, vooral in verzekeringen en financiele dienstverlening (ruim de helft van de totale investering), maar ook als het gaat om handel en industrie. 'Dat blijft ook zo, want wij zien geen enkele reden om ons voorgenomen programma van uitbreidingen en acquisities voor de komende jaren te wijzigen of af te zwakken', zegt woordvoerder B. Geerts van Philips. Met zesduizend werknemers en een omzet van ruim tweeenhalf miljard gulden behoort Philips Iberica tot de grote onder de driehonderd Nederlandse bedrijven met een vestiging in Spanje. 'De winsten in Spanje en Portugal liggen duidelijk boven het concerngemiddelde, dus het zou niet erg verstandig zijn onze inspanningen te verminderen', aldus Geerts, 'Spanje is een groeimarkt.' Philips nam onlangs een groot belang in een Poolse gloeilampenfabriek. Is een verschuiving van de produktie uit Spanje naar een land met lage lonen zoals Polen ondenkbaar? Geerts: 'Voorlopig wel. In Oost-Europa zullen we nog jarenlang zeer behoedzaam opereren. En dan nog zie ik niet dat de mogelijkheden die daar eventueel ontstaan ten koste van het zuiden zullen gaan. Eerder zou West-Europa erdoor kunnen worden geraakt.' Ook voor Unilever blijft Spanje een land 'waarin we de komende jaren fors zullen investeren', aldus D. Simons, financieel directeur in Madrid. Hij mag geen winstcijfers verstrekken, maar wil wel kwijt dat de omzet van zijn vestiging (ongeveer 100 miljard peseta's per jaar) sneller groeit dan de vijf procent die de Spaanse economie als geheel de laatste jaren liet noteren.

Simons denkt dat het wegvallen van de Europese binnengrenzen na 1992 aanzienlijk meer invloed op Spanje zal hebben dan de liberalisering van de economie in de landen van Oost-Europa. Unilever heeft sinds 1986 een reeks middelgrote Spaanse bedrijven opgekocht, meest recentelijk de olijfolieproducent Costa Blanca, die niet alleen voor de lokale markt produceert maar ook exporteert vanuit Spanje. Directeur T. Kloosterman van de Nederlands-Spaanse Kamer van Koophandel in Madrid heeft nog nooit te maken gehad met potentiele investeerders die aarzelden tussen, bijvoorbeeld, Madrid en Boedapest. Hij denkt ook niet dat dat ooit zal gebeuren. 'Grote bedrijven doen op den duur allebei, maar zeventig procent van de ondernemingen waarmee ik te maken heb zijn hoogstens middelgroot. Dat soort bedrijven kan zich niet permitteren de risico's te nemen die beleggen in Oost-Europa voorlopig nog met zich meebrengt en kan ook geen tien jaar wachten tot het geld eindelijk wat opbrengt.

'In Spanje investeer je veiliger en je maakt sneller winst. Als het gaat om verbindingen is Catalonie een plek die nauwelijks te overtreffen is. Er heerst hier een stabiel politiek klimaat, de mentaliteit lijkt meer op die van West-Europa en bovendien groeit de interne vraag jaarlijks met meer dan zes procent.' Om dat laatste te onderstrepen, wijst Kloosterman op de toename van de Nederlandse export naar Spanje. In 1989 bedroeg de totale waarde van die uitvoer 5,3 miljard gulden; in 1988 3,8 miljard. De groei van veertig procent is vooral te danken aan de verkoop van machines, transportmateriaal en levensmiddelen. Kloosterman verwacht niet dat de 1.500 Nederlandse bedrijven die naar Spanje exporteren het binnen afzienbare tijd kalmer aan gaan doen. Met enige trots toont hij CBS-cijfers voor januari 1990, die maar liefst 58 procent hoger zijn uitgevallen dan die van het jaar daarvoor. 'De Nederlandse belangstelling is vrij laat op gang gekomen, maar zet nu beslist door.' De zaakgelastigde voor Economische Betrekkingen van de Westduitse ambassade in Madrid, J. Kausch, ontkent dat zijn land wellicht het eerste zal zijn waar de belangstelling voor het Iberisch schiereiland weer zal afnemen.

'Zowel de Duitse overheid als het bedrijfsleven zijn al jarenlang zeer optimistisch over de ontwikkelingen in Zuid-Europa en dat zijn we nog. Ik heb niet de geringste aanwijzing, van geen enkele firma, dat daarin verandering komt. Ook onze cijfers wijzen op een toename van de investeringen in Spanje. 'Men vergeet dat hier niet alleen te produceren valt, maar dat vooral de markt interessant is. In het oosten geldt dat voorlopig niet. Spanje is eigenlijk de vijfde zuil van de EG. Goedkope arbeid is hier niet meer te vinden en in de DDR is het daarmee binnen twee, drie jaar ook gedaan. Die factor is dan ook nauwelijks van belang. Westduitse ondernemers investeren nu in half-failliete produktiebedrijven in de DDR en in de distributiesector, in het algemeen in verwaarloosde gebieden. Maar diezelfde sectoren zijn hier al jarenlang vergeven. Dat speelt helemaal niet meer. Een keuze tussen zuid en oost bestaat eenvoudig niet.' Enigszins geergerd zegt Kausch: 'Al dat gepraat in de media over een verschuiving van de belangstelling en van investeringen berust op gebrek aan kennis. Er is niet zoiets als een taart die ofwel hier in het zuiden of daar in het oosten kan worden geconsumeerd. Investeringen worden gedaan omdat een bedrijf rendement verwacht. Als een multinational op verschillende plaatsen kansen ziet, zal er eenvoudig meer geld worden aangetrokken. Wie iets anders beweert, denkt niet kapitalistisch. Die houdt er opvattingen op na uit de planeconomie.'

    • H. M. van den Brink