Steven Rooks, de onverstoorbare; 'Ik zag vroeger te veel inmezelf'

Echte grote renners zijn vaak egoisten, verdedigde Steven Rooks zich wanneer hij weer eens werd afgeschilderd als een 'Einzelganger'. Op zijn negenentwintigste behoort hij tot de besten van het wielerpeloton. Gerijpt, evenwichtiger, zakelijker en socialer, een sportman die een indrukwekkende beroepsernst nastreeft. Hij heeft altijd geweten dat hij 'een goeie' zou worden, maar het wachten is nog op de Grote Overwinning.

Wanneer een wielrenner niet fietst, zal hij rusten. Het is een ongeschreven wet en Steven Rooks leeft hem plichtsgetrouw na. Als het aan hem ligt zal hij deze middag zijn benen niet van de zitbank verheffen. Boven hanteert zijn moeder de stofzuiger, buiten onderhoudt zijn vader het voortuintje. Want van grasmaaien kun je last van je spieren krijgen. Slechts als jongetjes om een foto met handtekening komen vragen, hijst hij zich uit zijn rustplaats. Soms lijkt hij weg te dromen, kijkt hij over het weidse Noordhollandse land dat zich voor zijn huis uitstrekt. Als zijn ogen een wielrenner vangen, volgen ze hem met de blik van een kenner, net zo lang totdat de passant uit het gezichtsveld is verdwenen. Rooks zal deze middag niet lachen, zelfs de kleinste glimlach kost hem moeite. Misschien is het de teleurstelling die hem zo kort na Luik-Bastenaken-Luik tot somberheid stemt. Maar nee, zo is Steven Rooks, de parel van het noorden.' Er had misschien wat meer ingezeten. Maar het is niet anders.'

Rooks haalt zijn schouders op als de Ardense klassieker van eerste Paasdag ter sprake komt. Zijn Belgische ploeggenoot Eric van Lancker was op twintig kilometer van de finish in Luik weggesprongen en zou niet meer worden ingehaald. Het was al de derde keer dat een renner van zijn team in deze klassieker met de zege ging strijken, terwijl die voor hem weggelegd leek. Maar ditmaal was hij er toch heel dichtbij geweest, had hij na 1983 voor de tweede keer kunnen winnen.' Van Lancker had op mij kunnen wachten', filosofeert hij. ' Maar iedereen wil zelf winnen. Het was een situatie die misschien anders had moeten verlopen. Maar wat koop je daar voor. Het is geen kwestie van vorm, meer van geluk. Je bent de sterkste van de ploeg. Dat is een fijn gevoel, maar het legt ook een druk op je. Ze letten op mij en Theunisse en niet op Van Lancker. Daar kan hij van profiteren. Kijk als ik in een andere ploeg had gereden, had ik in de finale alleen gezeten. Dan had ik met Leclercq die achter Van Lancker aansprong, kop over kop gereden en dan rijden we er zo naar toe. Dan kun je gewoon je eigen wedstrijd rijden. Nu zat ik opgesloten. Het is mooi in een sterke ploeg te rijden, maar voor jezelf is het toch wel een nadeel.' ' In de Tour de France of de Giro is het heel anders dan in een klassieker. Dan moet je er gewoon elke dag bij zijn, je hoeft geen etappe te winnen. In een klassieker rijden renners mee die aan een dag genoeg hebben. Die richten zich daar helemaal op. Die riskeren dan ook veel meer dan ronderenners zoals ik. Van Lancker is er zo een. Ze zien een kans en gaan.'

Marktwaarde

Tussen winnen en verliezen ligt bij Rooks vaak maar een miniem verschil. Tweede, derde en vierde plaatsen zijn te vaak zijn deel geworden. ' Elk jaar wil ik ten minste een klassieker winnen. Elk jaar probeer ik het opnieuw. En daar zit je tegen aan te hikken. Het gaat vaak om kleine stukjes. Dan kun je wel zeggen: 'nu is het me zo vaak overkomen, vandaag niet meer'. Maar daar kun je je niet tegen weren. Ik probeer altijd mijn best te doen, er alles voor te doen om goed te zijn. Maar het wordt steeds moeilijker. Ze weten dat je goed rijdt, dat jij in een bepaalde klassieker altijd goed rijdt en dat je die wilt winnen. Je hebt de wedstrijd niet in de hand. Het is makkelijker als het peloton heel lang bij elkaar blijft, bijvoorbeeld in de Amstel Goldrace. Dan geef je op de Cauberg een knal. Dan rijd je gewoon iedereen uit je wiel. Het wordt steeds moeilijker nu er punten zijn te verdienen voor de wereldbeker en voor het computerklassement, want die bepalen toch je marktwaarde. Je kunt wel een goede knecht zijn, maar als je geen punten scoort ben je niemand.'

'Ik ben nooit nerveus. Als de wedstrijd normaal verloopt en je bent sterk, dan val je gewoon aan. Ze kunnen nog zo goed op je letten, als ze niet meekunnen is het gedaan. De besten blijven dan over. Op het vlakke niet: dan gaan ze gewoon aan je wiel zitten en rijd je er niemand af. Theunisse doet het anders. Die wil laten zien dat hij goed rijdt, gaat op kop rijden en kijkt of ze zijn wiel kunnen houden. Maar daarmee verraad je je vaak. Argentin rijdt nooit op kop. Hij laat niet zien of hij goed of slecht is. Hij kan zo instorten, maar hij kan ook plotseling demarrereren.' Wielrenners beschikken over een fotografisch geheugen. Uren lang kunnen ze een wedstrijd tot in details analyseren. ' Heel zelden kijk ik naar een video', zegt Rooks. ' Van Luik-Bastenaken-Luik heb ik alleen dat laatste stukje nog even bekeken. Ik wilde weten waar de kink in de kabel kwam. Goed voor je ervaring. Het doet je wel wat. Je zit even in een wak. Maar ik kom thuis en probeer het zo snel mogelijk te vergeten, zo goed mogelijk te slapen. Want je moet de volgende dag toch verder. Er zijn nog meer wedstrijden. Zeker voor mij. Als het niet lukt, heb ik altijd nog de Giro en de Tour.' In zijn beginjaren als beroepswielrenner hield Rooks als de meesten van zijn collega's een dagboek bij. Eetgewoonten en trainingsuren noteerde hij nauwkeurig. Maar 'het fanatieke' is er vanaf. Ik heb de laatste jaren ervaren dat duurtraining goed voor me is. Verder train ik niet veel, alleen bij een speciale voorbereiding zoals op het wereldkampioenschap.' ' Als je gezond bent en je kunt de klassiekers rijden, dan train je tussendoor een dag en de rest van de tijd doe je rustig aan. Na de klassiekers komen de ronden, dan hoef je helemaal niet te trainen. Dan moet je gewoon zorgen dat je in de dagen dat je thuis bent niet ziek wordt en de kracht die je hebt opgebouwd op peil blijft.'

Turbo-dijen

Francesco Moser was de trendsetter met explosiviteitstrainingen. Hij sprintte onder toezicht van een inspanningsfysioloog zo snel mogelijk met de zwaarste versnelling tegen een berg op tot hij er bij neer viel. Bernard Hinault kweekte op die manier 'turbo-dijen' en was mede daardoor in de bergen de beste klimmers nog de baas. Greg LeMond nam de methode over en verbaasde alle kenners door op de zwaarste verzetten bergop te rijden. Anderen zochten een viaduct in hun omgeving en brachten een middagje door met bergop-sprinten. Rooks bedient zich ook al jaren van deze training. ' Macht kweken.'

Zijn blik richt zich naar het raam, naar buiten, naar de duinen. ' Er is daar een steile helling van driehonderd meter. Daar rij ik dan met het buitenblad, op de twaalf, vol tegen op. Dat is voor de explosiviteit. Kijk als je op de Cauberg wilt wegrijden, moet je twee tanden groter kunnen rijden dan een ander. Het is een ideale trainingsmethode.' Rooks heeft al vanaf zijn eerste wielrenjaren goed kunnen klimmen. Een kwestie van lichaamsbouw en talent. ' In eerste instantie was ik alleen goed op korte klimmetjes, explosiviteit. Dan is het een kwestie van sterker worden, leren met versnellingen om te gaan. In het begin reed ik op de macht. Dan begon ik altijd een of twee tanden groter, maar moest ik na een paar kilometer terugschakelen en dan is het te laat. Nu begin ik te draaien, zo licht mogelijk. Als het moet - ze demarreren en je moet mee - kun je altijd nog bijschakelen. Dat zijn dingen die je leert. Je leert van naar anderen kijken. Maar natuurlijk niet naar iedereen. Hinault was bijvoorbeeld een speciaal geval, die reed altijd groot. Klimmers zijn allemaal draaiers, lichtrijders. Fignon en LeMond niet. Dat zijn krachtmensen die twee tanden groter kunnen rijden en dat volhouden. Ik ben toch meer een draaier, klimmen op souplesse.' Daarom was het toch wel interessant geweest als hij zich in Zwitserland had kunnen vestigen. Dan had hij zich in de bergen kunnen uitleven. Het idee kwam van zijn wielervriend Gert-Jan Theunisse, die een belastingvriendelijker klimaat zocht. Het duo kreeg geen toestemming van de Zwitserse autoriteiten. 'Ik kon alleen een verblijfsvergunning voor drie maanden krijgen. Ik wilde een half jaar om dan in de winter thuis te kunnen zijn. Ik had alleen langer kunnen blijven als ik bij een Zwitserse werkgever op de loonlijst zou staan. Het is jammer dat het niet doorgaat, want ik zit hier in Noord-Holland ver van alles en iedereen. Als ik train, moet ik dat alleen doen. Ik heb er nog aan gedacht een zomerhuisje in de buurt van Gert-Jan in Brabant te huren. Ik zou ook in Belgie een huis kunnen bouwen. Maar ik heb hier mijn familie en mijn vrienden. Als je ziet wat ze allemaal voor me doen. Als ik hier weg ga, mis ik dat allemaal. En die paar jaar dat ik nog fiets. Als je begint, 22 of 23 bent, dan is het nog zinvol. Op mijn leeftijd is het moeilijk op te brengen. Belastingtechnisch is Belgie nauwelijks beter voor mij, Zwitserland natuurlijk wel. Maar ik heb nu sinds januari een BV, is wat interessanter.'

Post

Groot was de verrassing toen Rooks en Theunisse vorig jaar teruggingen naar hun oude ploeg, Panasonic. Ondanks de wrijvingen met de ploegleiding van PDM over de verdeling van het kopmanschap en de te grote inbreng van de uit commerciele motieven aangetrokken buitenlands renners, leek de relatie met teamleider Jan Gisbers hecht genoeg om de samenwerking voort te zetten. Maar niet zozeer het vertrek bij Gisbers als wel de terugkeer naar Peter Post wekte verbazing. Rooks: ' Het werd een beetje een sleur na drie jaar. In het eerste jaar had ik het naar mijn zin. Een nieuwe ploeg, een nieuwe, ambitieuze sponsor. Dan ben je gemotiveerd. Maar het werd steeds minder. Bij PDM zag je de ambitie minder worden. Het hoogtepunt van de marktwaarde is al bereikt. Bij Post is de organisatie beter, er zijn meer goede renners. Dan zie je toch dat het bij Gisbers amateuristischer was. Post straalt professionalisme uit. Hij houdt iedereen scherp. Walter Planckaert en Ferdi van den Haute, de assistent-ploegleiders zijn erg betrokken, ze stralen beroepsernst uit. Als het niet goed gaat, slaat Post met de vuist op tafel. Gisbers is ook serieus, maar te zacht als er problemen zijn. Post is rustiger geworden met de jaren, maar denk niet dat het hem minder kan schelen. Zodra je dat denkt, staat hij voor je neus.' Het zijn juist die eigenschappen van Post waarmee de in zichzelf gekeerde, egocentrische Rooks in zijn eerste twee perioden bij de ploegleider in botsing kwam. Rooks is volwassen geworden, hij heeft veel geleerd.

'Ik zag vroeger te veel in mezelf, wilde niet voor een ander te rijden. Ik wist dat ik meer kon. Post had achteraf in bepaalde dingen gelijk. Maar wat ik destijds voelde, dat ik tot meer in staat was, is toch uitgekomen. Nu moet ik me waarmaken, waarmaken waarvoor hij me heeft aangetrokken.' Er is veel veranderd. Post kan nu over twee ploegen beschikken, betere renners. Post is veranderd ten opzichte van mij en ik ten opzichte van hem. Ik weet welke wedstrijden ik kan winnen en daar richt ik me op. In wedstrijden die niet voor mij zijn, rijd ik voor anderen. Dat ziet Post en dat waardeert hij.' Vroeger deed ik dat niet, voor een ander rijden. Waarom zou ik? Kijk, op een gegeven moment rijd je de hele wedstrijd voor je kopman. Dan kom je in de finale, zit jij in de kopgroep en je kopman niet. Dan ga je natuurlijk denken: waar ben ik mee bezig? En dan zeg ik: 'zo kan ik niet verder gaan'. Daarom zijn we uit elkaar gegaan. De laatste vier, vijf jaar heb ik dat wel gedaan. Van werken voor anderen word je lichamelijk alleen maar sterker.'

'Ik heb nu een mening. Na verloop van tijd heb je er verstand van gekregen en zeg je: 'zo wil ik het hebben'. Dat overleg je en dan rolt er altijd iets uit. Vroeger dacht je het, maar je zei niets. Een kwestie van volwassen worden. Vorig jaar bij PDM werd ik opgesteld voor bepaalde wedstrijden omdat de ploegleider en de sponsor dat wilden. Nu regel ik dat zelf. Gert-Jan en ik hebben daar lang met Post over gesproken. Dat programma willen we rijden en die renners moeten mee.' Vooral door zijn introverte houding werd Rooks afgeschilderd als een 'Einzelganger'. Hij probeerde zich te verdedigen door zich te vereenzelvigen met 'echte grote renners, want dat zijn vaak egoisten'. Vedetten willen zelf presteren, veronderstelde hij, en daar moeten anderen zich aan ondergeschikt maken. Een individualist is hij altijd geweest. Hij voetbalde een paar jaar, maar tegen zijn zin. ' Ik was een schoffelaar. Later ben ik gaan keepen, was nog wel een beetje leuk. Kon ik ook goed. Maar ik kreeg vrienden in Alkmaar, had geen zin om te trainen, ik ging liever naar de kroeg. Als ik moest voetballen, was mijn hele dag verpest. Ik had het veel te goed in de kroeg. De jongens met wie ik omging hielden niet van sport. Ik was een jongen die alles zelf wilde doen. Eigen initiatief. Ik deed allerlei sporten een of twee maanden. Ik zag Kung Fu films, dus ging ik op karate, of op judo. Maar het werd nooit iets.

Tot mijn zestiende reed ik op een brommertje. Pas op mijn zeventiende ging ik fietsen, ik was meteen goed. Ik hoefde er niets voor te doen. Als je met pijn en moeite een prijsje behaalt, gaat de lol er af. Ik deed nooit voor spek en bonen mee. Ik wilde altijd de beste zijn.' Hij herinnert aan zijn eerste profjaar. Post zette hem uit de ploeg, maar Rooks liet zich niet kleineren. ' Het was moeilijk voor me om op dat moment een andere ploeg te vinden. Maar ik wist dat ik veel kon. Ik ben als een monnik gaan leven, hard gaan trainen, alleen maar om te laten zien dat ik echt wel hard kon fietsen. Ik kon uiteindelijk bij De Gribaldy in Frankrijk terecht als ik een Nederlandse sponsor meebracht. Dat lukte. Die periode heeft me hard gemaakt. Ik deed bijna alles op mezelf. Ik heb toch bewezen dat ik kwaliteiten heb. En niet alleen omdat ik al meteen Luik-Bastenaken-Luik won.'

Benauwend

Het leven in het wielerpeloton heeft hem veel wijsheid en levenservaring opgeleverd. 'Ik zei vroeger nooit veel. Maar wat had ik te zeggen. Ik wist niets van wielrennen. Ik won Luik-Bastenaken-Luik, ik wist niet wat me overkwam. Ik ben gewoon een terughoudend type. Ik kan me dagen concentreren op een wedstrijd, dan ben ik voor niemand bereikbaar. Ik ben zeker in mijn voordeel veranderd. Je leert met mensen omgaan. Normaal was ik hier in Warmenhuizen gebleven, was ik opgetrokken met mijn familie en wat vrienden.

Dat is toch beperkt. Zo'n wielerwereld is zo groot, zo benauwend. Al die mensen die aan je trekken, die drukte in de Tour, die sponsors en die toeschouwers.' Dan is het een verademing om rust te vinden in de hotelkamer, in Theunisse een vriend te vinden die je kunt vertrouwen. Maar zo intiem is de relatie nu ook weer niet, beweert Rooks. ' We slapen op een kamer en we doen de voorbereiding samen. Maar als de wedstrijd is afgelopen gaan we toch onze eigen weg. Ik ben vrij rustig, doe alles op m'n gemak. Gert-Jan wil meteen weg. Die heeft een nog grotere hekel aan mensen. We praten er niet over, maar je ziet het aan hem. Hij sluit zich af. Ik denk niet dat het goed is. Als ik een paar dagen thuis ben zoek ik mijn vrienden op. Hij niet. Hij zit thuis. Gert-Jan heeft meer behoefte aan een iemand die hij kan vertrouwen dan ik. Thuis heeft hij zijn vriendin, in de koers heeft hij mij. Dat is gevaarlijk. Want je loopt het risico dat je na je loopbaan op niemand kunt terugvallen. Als je presteert heb je veel vrienden, maar stop je dan zijn ze weg. Wat gebeurt er dan met je? Kun je dat aan? Dan moet je weer helemaal opnieuw beginnen. Ik heb vrienden van wie ik weet dat het altijd mijn vrienden zijn. Als ik over drie, vier jaar stop zijn ze er nog steeds.' De relatie tussen Rooks en Theunisse is voor een groot deel zakelijk. '

Natuurlijk zijn we vrienden. Het was jammer geweest wanneer we uit elkaar waren gegaan. Het is toch raar in een andere ploeg te rijden. Dan slaap je niet meer bij elkaar en je rijdt in de wedstrijd tegen elkaar, hoewel de een natuurlijk nooit achter de ander zou gaan rijden. Het is een beetje toeval dat we samen bij Post zijn. Theunisse kon er naar toe, maar dat Post mij ook zou kunnen betalen was een verassing. We hebben het geprobeerd en het is wonderwel gelukt.' Opvallend is de afspraak tussen Rooks en Theunisse dat als de een wint de ander de overwinningspremie krijgt. ' Als ik de Tour win, dan krijg ik zoveel respons en publiciteit dat ik die premie niet nodig heb. Die geef ik dan aan degene die de Tour misschien ook had kunnen winnen, maar zich voor mij heeft opgeofferd. Het is een drijfveer om elkaar altijd te steunen.

Dat geldt ook voor de klassiekers. Het mooiste is natuurlijk dat je met z'n tweeen weg kan rijden, maar die droom is nog niet uitgekomen. Dan is de vraag: wie moet winnen? We hebben afgesproken dat we vlak voor de eindstreep afstappen en onze fietsen precies gelijk over de finish drukken. Dat zelfs een fotofinish geen uitslag kan geven.' Vorig jaar stelde Rooks de ploegleiding van PDM voor de overwinningspremies te verdelen onder de kleinere renners, de mecaniciens en de soigneurs. Kelly en Alcala, de andere kopmannen, konden zich vinden in dat idee, maar volgens Rooks is daar weinig van terecht gekomen.

'Er waren renners die veel geld verdienden maar weinig hadden gereden. We hebben er toen voor gezorgd dat alleen de renners die met ons samenreden meeverdienden. Ik ving dan tien procent, de rest tachtig procent en de begeleiders tien procent. Bij Post gaat het volgens het oude systeem. De winnaar deelt niet mee in de prijzen. Bij een klassieker kun je bijvoorbeeld 25.000 gulden prijzengeld verdienen. Dat wordt dan verdeeld onder de renners die meereden en de soigneurs en mecaniciens.' Bertus Fok is al jaren Rooks' favoriete soigneur. Daarom was het vreemd dat hij niet met het 'koningskoppel' meeging naar de ploeg van Post. ' Het heeft me meer gedaan dan is geschreven', verdedigt Rooks zich. ' Post had gewoon geen plaats meer voor Fok omdat hij al contracten met andere soigneurs had afgesloten. Ik heb Fok geadviseerd nog een jaar te blijven. Maar dokter Jansen, de ploegarts van PDM, kon niet met Bertus opschieten. Daarom moest hij verdwijnen. Omdat Jansen de samenwerking met de ploegleider Gisbers en manager Krikke ook niet honderd procent vond, wilde hij ermee stoppen. Daar hadden ze bij PDM niet opgerekend. Nu hebben ze niks. Ik heb wel tien keer met Post gesproken om Fok alsnog binnen te halen. Dat is voor een deel gelukt, hij is nu reserve. Het programma is zo groot dat hij regelmatig meekan.' Rooks en Theunisse wisten Post er ook van te overtuigen dat een ploegarts noodzakelijk was. ' We hebben toen voorgesteld Jansen te nemen. Gert-Jan en ik lieten ons altijd door hem testen, we hadden vertrouwen in hem.

Soigneurs zijn goed voor de massage en kunnen vitaminen en aspirines verstrekken, maar als er iets niet goed zit van binnen moet er toch een arts in de buurt zijn. Ik denk dat iedereen in de ploeg zich nu rustiger voelt. Ze weten nu allemaal waar ze aan toe zijn. Dat geeft vertrouwen en zekerheid. Je merkt het aan de sfeer in de ploeg.' Naast de reguliere medische bijstand van Peter Jansen, bezoekt Rooks regelmatig Ko Maas, haptonoom en osteopaat. (Osteopathie is een theorie over de oorzaak en behandeling van ziekten, uitgaande van de stelling dat het lichaam in normale omstandigheden en bij goede voeding zelf genezende stoffen kan produceren tegen ziekte; bij de behandeling wordt vooral manipulatie toegepast). Rooks: ' Als ik gevallen ben, zit er altijd iets scheef in mijn wervels of beenderstelsel, zegt Maas.

Hij zet het dan weer recht. Hij is vorig jaar speciaal voor me naar de Tour gekomen, nadat ik een zware val had gemaakt. Soms pakt hij mijn hoofd en voelt dan mijn hoofdritme. Of het helpt? Het is een kwestie van erin geloven.' Rooks een twijfelaar? ' Nee hoor. Als het niet goed gaat, zoek ik gewoon naar de oorzaak. En die is er altijd, soms liggen de oorzaken weken terug. Dat heeft niets met onzekerheid te maken. Gewoon een kwestie van serieus je vak beoefenen.' Wielrennen is zijn vak. Uren kan hij erover praten, oeverloos. Maar pas als zijn hobby ter sprake komt, valt er iets van enthousiasme te bespeuren. Dan gaan zijn ogen twinkelen, dan verheft Steven Rooks zijn doorgaans sonore stem. Exclusieve auto's: sinds een paar weken koestert hij in de garage een zes jaar oude Porsche, nieuwwaarde 250.000 gulden. ' Op de kop getikt in Zwitserland. De eigenaar had hem als tweede wagen in de garage staan. Zo goed als nieuw nog.'

Tweede Paasdag, op zijn vrije dag, is hij er nog mee gaan rijden. ' Hij kan 280 per uur. Maar daar heb je niets aan in Nederland. Ik rij er een beetje mee over de dijk hier. Af en toe gas geven. Net een vliegtuig. Van zo'n wagen heb ik nu altijd gedroomd. Ik verkoop hem nooit meer.'

Voorzichtig trekt hij in de garage het zeil van de auto, zijn vingers betasten de tere lak. ' Maar het zonnetje moet wel schijnen. Als het regent blijft hij binnen.'

    • Guus van Holland