'Voor die dennenbossen heb ik een heel eenvoudige oplossing: in brand steken'; Victor Westhoff over de noodzaak van natuurbehoud

Sommige natuurbeschermers beschouwen zich als Westhovianen, andere vinden zijn ideeen achterhaald. Feit is dat Victor Westhoff een onuitwisbaarstempel op de Nederlandse natuurbescherming heeft gedrukt.'Die ellendige splitsing in natuur en milieu heeft een hoop misverstanden opgeleverd. Iedereen heeft het maar over het milieu, maar het milieu heeft geen zelfstandige betekenis. Milieu waarvan?, vraag ik dan. Als men spreekt over het milieu bedoelt men het milieu van de mens, onze gezondheid dus. En daarmee wordt de hele natuur buiten spel gezet, alleen de mens telt mee. Bodemvergiftiging, luchtvergiftiging - allemaal belangrijke zaken, maar als je het over de natuur hebt, zeg dan natuur en zeg niet milieu.'

Dr. Victor Westhoff (73), emeritus hoogleraar geobotanie, is de grondlegger van het wetenschappelijk natuurbeheer in Nederland. Jarenlang was hij lid van de Natuurbeschermingsraad en adviseerde hij de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten bij het terreinbeheer. Het publiek kent hem vooral als schrijver van Wilde planten, het driedelig standaardwerk over plantengemeenschappen in Nederland.

Westhoff werd in zijn jeugd boeddhist - hij vergezelde later, in 1973, de Dalai Lama bij diens bezoek Nederland - maar was vooral actief als NJN-er. De Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie is altijd een vrije jeugdbond geweest, dat wil zeggen dat volwassen leiding niet werd geaccepteerd, leden ouder dan 23 jaar, 'oude sokken' moesten opstappen. De bond heeft een grote vormende waarde gehad, veel vooraanstaande Nederlanders kennen elkaar als NJN-er.

De eerste belangrijke bijdrage aan het natuurbeheer leverde Westhoff op een NJN-congres in Drachten. De NJN beleefde rond de oorlog haar hoogtepunt in ledental en misschien ook wel in enthousiasme en 'geloofsijver'. In 1944 deed de NJN op de jaarvergadering van Natuurmonumenten in Krasnapolsky - in de persoon van Wim Klinkenberg, de latere communist en voorzitter van de Journalistenbond - een aanval op het beheer van de terreinen. In felle bewoordingen werd het 'adellijke' Natuurmonumenten verweten de natuur geen kans te geven. De aanval van Klinkenberg, een markante verschijning met baard en wambuis, kwam hard aan bij Natuurmonumenten. Maar ook in de NJN ontstond verdeeldheid: was de romantische hang naar oernatuur werkelijk wel zo verstandig? Op het eerste naoorlogse NJN-congres in Drachten hield de 'oude sok' Westhoff een rede die een grote indruk maakte.

Westhoff, samen met zijn vrouw wonend in een lieflijk huisje nabij Groesbeek maar nog lang niet teruggetrokken uit het actieve leven, weet dat nog goed: 'Die rede is later de basis geworden van het natuurbeheer in Nederland. Later heb ik hem in andere vormen gepubliceerd, ook in internationale tijdschriften. De gedachtengang is deze. Je kunt niet zomaar de mens buiten de natuur zetten. Dat was de oude, romantische gedachte. Dat kan niet. Want de natuur zoals we die nu kennen is voor een groot deel het produkt van samenwerking tussen mens en wilde natuur. De halfnatuurlijke landschappen zijn daar een voorbeeld van: de rietlanden, de heiden, de blauwgraslanden. Als je zegt: ik doe daar niets meer aan, dan wordt het bos. En dan krijg je overal het bos van Tacitus die over Nederland schrijft: een land van verschrikkelijke wouden en stinkende moerassen.'

Spontaan

'Wat verstaan we onder halfnatuurlijke landschappen? De flora en de fauna zijn spontaan, maar het vegetatiebeeld is veranderd: bos is bijvoorbeeld grasland geworden. Tot het begin van deze eeuw maakten deze halfnatuurlijke landschappen driekwart van ons land uit. En nu geen procent meer, in natuurreservaten. Wil je dat behouden, dan moet je beheer toepassen. En dat wist men al lang bij Natuurmonumenten, uit praktische ervaring, niet uit theoretische overwegingen. Men wist heel goed dat als je een rietland laat verwilderen, dat dan alle rietlandvogels verdwijnen. Dat kon natuurlijk niet, want Natuurmonumenten was toen in de eerste plaats een vogelorganisatie. Het argument voor maaien en beweiden was toen: we hebben het nodig voor het geld - en dat was ook zo - maar het was ook goed voor de terreinen, al ontbrak het aan de wetenschappelijke onderbouwing. Niemand in de NJN had in de gaten wat voor progressieve man die Van Tienhoven was, de voorzitter van Natuurmonumenten, en hoe conservatief Klinkenberg!

Natuurmonumenten vond in zijn beleid op dat moment iemand als professor Weevers tegenover zich, die vond dat je de natuur zijn gang moet laten gaan. Toen heb ik, op wetenschappelijke grondslagen, gesteld dat je de mens zo niet moest bekijken. Als de menselijke factor positief is, als de diversiteit van de soorten erdoor toeneemt, dan moet je met dat beheer doorgaan. Later heeft Weevers zich daarmee verenigd.'Natuurlijk is daar tegenin te brengen: hoe kan dat dan, hoe hebben al die planten en dieren dan geleefd voordat de mens verscheen? Het antwoord is: die leefden vroeger in andere milieus. Hoe moet je dat zien?

Wij mensen hebben ons landschap verstard. Wij hebben dijken aangelegd, we hebben de zee buiten spel gezet, we hebben de grote, grazende zoogdieren uitgeroeid, we hebben de rivieren belet te meanderen. Kortom, we hebben alles aan banden gelegd, zodat zich, als we verder niets zouden doen, bijna overal het eindstadium bos zou ontwikkelen. Vroeger was er ruimte voor pioniervegetaties, omdat de zee of een rivier nu en dan doorbrak en er verstuivingen optraden.'Geen Nederlander wil die oude toestand weer terug. Maar de consequentie is wel dat veel soorten zich hebben geconcentreerd in halfnatuurlijke landschappen. En deze landschappen moet je beheren, wil je die soorten behouden. Nu hoor je wel zeggen: dat hoeft niet, laat alles toch met rust, laat alles toch verruigen. Laat alles desnoods bos worden. Ik ben daartegen, maar als dat je wilt: doe dat dan. Maar je moet niet denken dat je daarmee natuurlijk handelt. Als je natuurlijk handelt moet je de dijken doorsteken, de zee naar binnen laten.'Hoe gek het ook klinkt, dit alles sluit heel nauw bij de ideeen van Vera c.s. aan. Men vindt mij soms een conservatieve man die alles wil behouden, maar dat is slechts schijn. Want om te beginnen is de verstarring van het landschap de oorzaak van alle ellende.'

Dus dat plan-Ooievaar van Vera zou heel welkom zijn? Eindelijk een landschap met natuurlijke dynamiek, zonder verstarring?'

Het plan Ooievaar is goed bedoeld, laat ik dat voorop stellen. En als het op een goede manier wordt uitgevoerd, is het bruikbaar. Maar het uitgangspunt is ondoordacht. Wat wil men? De oorspronkelijke natuur terugbrengen. En dat kan niet. Dan moet je om te beginnen het rivierwater zuiveren, ten tweede de dijken doorsteken - ook dus de bandijken, de winterdijken - en de kribben opruimen. Dan heb je pas natuur. Maar dat wil niemand. Verder hebben we sinds een jaar of tien zomeroverstromingen, een fenomeen veroorzaakt door de versnelde waterafvoer in Duitsland. Die zomeroverstromingen zijn funest voor de uiterwaarden, speciaal in combinatie met het hoge nitraat- en fosfaatgehalte. Dus het laatste wat je moet doen is de zomerkaden doorsteken, dan ben je je waardevolle restjes stroomdalflora kwijt.'

Wat willen ze verder? Ze willen ooibossen in de uiterwaarden. Dat lijkt heel aardig, maar dat bos wordt botanisch gezien niet veel zaaks, daarvoor is het water veel te smerig. Het worden brandnetelbossen, heel iets anders dan de oorspronkelijke ooibossen. Voor de vogels kunnen dergelijke bossen nog wel betekenis hebben, maar niet zozeer voor de ooievaar, de zwarte ooievaar waar het plan naar genoemd is. Inderdaad broedt die in bomen, maar terugkomen zal hij vermoedelijk niet want hij heeft hier niet voldoende te eten. Hij leeft niet alleen van kikkers - die zijn er nog wel - maar ook van grote sprinkhanen, libellen en haften. En die zijn er niet genoeg meer, dankzij de zegeningen van de moderne landbouw.'

Maar er is nog een punt. Een van de 'waarden van de uiterwaarden' - er is een boek dat zo heet - is dat deze de laatste resten van onze stroomdalflora bevatten, ongeveer een derde van onze flora. Wilde salie, Marjolein, Grote ereprijs, alles wat onze graslanden vroeger bont kleurde. Prachtige plaatjes zoals ze in het Verkade-album 'Onze grote rivieren' van Thijsse stonden. De laatste resten daarvan - het is bijna allemaal verdwenen door de landbouw, door afgravingen, kampeerterreinen - vind je in de uiterwaarden en de rivierdijken. De rivierdijken worden op dit moment vernietigd door Rijkswaterstaat die ze op Deltahoogte gaat brengen. Blijven over de uiterwaarden als laatste refugium van onze stroomdalflora. En wat wil nu het plan-Ooievaar? De zomerdijken doorsteken. Weg flora! En hoe komt het dat Vera daar geen oog voor heeft? Omdat Vera een vogelman is.'

Als ik u nu zo hoor, dan is natuurbeheer een aflopende zaak. In reservaten wordt met kunst- en vliegwerk enkele steeds zeldzamer wordende soorten in stand gehouden. En verder kun je alleen nog maar verliezen. Winst door iets nieuws te maken, sluit u bij voorbaat uit.'Nee, dat is niet waar, ik waardeer nieuwe ontwikkelingen wel degelijk positief. Ik denk aan de Oostvaardersplassen en aan de Grevelingen. Daar op eilanden in die zoutwaterplas heb je een schitterende spontane duinflora, met zelfs een soort die geheel nieuw is voor Nederland, Parentucellia, er is nog niet eens een Nederlandse naam voor.'

Als je over natuurontwikkeling spreekt, dan liggen de kansen hier en in de verdere Zeeuwse voordelta, de zandbanken voor de kust van Zeeland. Ik kan het woord natuurbouw niet over mijn lippen krijgen - natuur kun je niet bouwen - ik noem dat natuurtechnische milieubouw. Maar dat is al zo vaak gebeurd, denk aan de Boschplaat op Terschelling. Die is in de jaren dertig door Rijkswaterstaat geschapen door de aanleg van een stuifdijk. Het is nu een van de belangrijkste natuurreservaten, zelfs Europees gezien.'Er is echter een maar. Wat je kunt maken zijn alleen pionierstadia. Het eindstadium, de climax, kun je niet zomaar maken. De natuurontwikkelaars staren zich blind op de pionierstadia - heel belangrijk hoor, daar niet van - maar wanneer je hoogveen wilt maken, dan kun je het wel vergeten. Tienduizend jaar duurt dat, en dan nog: in een klimaat dat we nu niet meer hebben. Heide? Heide kun je ook niet meer maken. Je kunt wel heide zaaien, maar dat leidt niet tot het ecosysteem heide met een heel speciaal bodemprofiel. Het is daarom goed dat er mensen zijn die deze vegetatietypen beheren en ze voor ons bewaren.'

Toch lijkt me het niet zo zinvol om te wachten met de aanleg van nieuwe natuurgebieden tot de laatste restjes oude landschappen door de intensieve landbouw zijn weggemest. De politiek is langzamerhand rijp voor natuurbouw. Provincies, Rijkswaterstaat, zelfs gemeentelijke bestuurders zouden dolgraag daden willen stellen met de aanleg van een grootschalige natuurterreinen. Met het oude natuurbeheer - houden wat je hebt - kan een bestuurder niet scoren.'Ja, en voeg daar vooral aan toe dat die moderne natuurterreinen vaak heel goedkoop zijn in onderhoud. Dat spreekt de bestuurders ook aan! Dat maakt al die plannen politiek ook zo aantrekkelijk. Het kost haast niets! En dat oude conservatieve natuurbeheer, maaien, afplaggen, ieder jaar weer, dat is duur.'Ik kan daar wel schamper over doen, maar ik ben het eigenlijk wel met Vera eens: je moet ook af en toe iets nieuws maken. Maar doe dat dan niet op waardevolle natuurterreinen, doe het op verlaten cultuurgronden. Een goed voorbeeld is de Horstermeer, een polder in het gebied van de Vechtplassen.

Het werd in de vorige eeuw drooggelegd, maar het werd een ramp, je hebt er een enorme kwel. Men pompt zich nu een ongeluk, maar het enige gevolg is uitdroging van de omgeving. Ik zou dus zeggen: zet de hele Horstermeer onder water! Je krijgt dan een prachtig moeras. Maar ga niet experimenteren met waardevolle natuurterreinen.'

Zou het niet beter zijn wanneer Rijkswaterstaat wat meer armslag kreeg in de natuur? Ze hebben al de bermen, de spoordijken en de zeewering. Zou het niet aardig zijn als Verkeer en Waterstaat het derde groene ministerie werd? Ze hebben de laatste tijd heel wat biologen in dienst genomen. En de huidige plaats van de Directie Natuur-, Milieu- en Faunabeheer wordt door alle natuurliefhebbers rampzalig gevonden.'De onderbrenging van NMF bij Landbouw is diep te betreuren. Dat is gebeurd in een onderonsje van Lubbers en Nijpels bij de vorming van een kabinet. Zolang NMF daar zit wordt het natuurbeheer in Nederland alleen maar slechter. Braks speelt wel mooi weer met de natuur als er geen boeren bij betrokken zijn, zoals op Schiermonnikoog. Maar zodra er een conflict is tussen natuur en boeren, geeft hij niet thuis. Dat neem ik hem niet persoonlijk kwalijk, dat is de structuur. Natuurbeheer hoort niet bij Landbouw, het zijn volledig andere belangen.'

Zou het niet beter zijn om de functies van landbouw en natuurbeheer geheel te scheiden? Dus in sommige delen van Nederland optimale landbouw - en dan verder niet zeuren - en in andere delen natuurreservaten. Maar niet, zoals nu gebeurt, er iets tussenin, zoals een Relatienota waar niemand tevreden over is.

'Voor het gebruik van het Nederlandse landschap zie ik vier mogelijkheden. De eerste is landbouw, met de restricties die door iedereen als redelijk worden ervaren behalve door de boeren. Ten tweede het blijvend beheer van historisch waardevolle natuurterreinen. Ten derde natuurontwikkeling - daar ben ik voor. Maar daarnaast is er nog een vierde mogelijkheid. Naast de boeren die hun land optimaal bewerken, kun je ook boeren hebben die aan soort natuurontwikkeling door landbouw doen. Dat moeten dan alleen boeren zijn die dat willen, die je kunt overtuigen. En verder ook: dat mogen dan geen vrije ondernemers meer zijn, maar ambtenaren in dienst van het natuurbeheer. Produceren op een natuurvriendelijke manier. Want een van de grote bezwaren van de Relatienota was de vrijblijvendheid - dat de boer een overeenkomst kan opzeggen en daarna al het bereikte in een jaar kan vernietigen. Ik wil dus alle vier mogelijkheden gebruiken, waarmee iedereen aan zijn trekken komt.'

Wat vindt u dan van de Bergboerenregeling van de EG die ook in Nederland geldt? Het ministerie van Landbouw vindt het prachtig: boeren ondersteunen uit naam van natuurbehoud.

'Ik vind de Bergboerenregeling weggegooid geld. Ik zou zeggen: gebruik de helft van het geld voor natuurbeheer en de andere helft voor natuurontwikkeling. Want ook dat kost soms geld, bijvoorbeeld voor het verwerven van grond. Er is weliswaar een onteigeningswet in Nederland ten behoeve van het natuurbehoud, maar die is slechts een keer toegepast, bij het Elfenmeertje bij de Meinweg in Midden-Limburg. Dat gaf een geweldige trammelant bij de boeren. Toen heeft men gezegd: dat doen we nooit meer, dit is politiek niet haalbaar. Men is als de dood voor de boeren. Maar ik zou zeggen: pas die wet toe en onteigen waar dat nodig is, ook onvrijwillig. En maak waar dat kan een GLE, een grote landschapseenheid.'

Voor veel mensen is natuur identiek met bossen. Wat vindt u van het grootste deel van de Nederlandse bossen, die saaie dennenakkers, de levende heipalen die je overal op de hoge zanden vindt, aangeplant om de woeste gronden te bedwingen en om te dienen als stuthout voor de voormalige mijnen?

'Voor die bossen heb ik een heel eenvoudige oplossing - in brand steken. Gewoon lucifer erbij en de vlam erin. De natuurwaarde van die bossen is nihil. De waarde van die terreinen zit hem in iets heel anders: het is onbemeste grond en die is in Nederland zeldzaam geworden. Dus weg met dat bos. Kijk eens naar Brabant, die dennenakkers zijn toch een wanhoop! Die bomen staan erbij als haren op een hond. De brand erin. En daarna kun je twee dingen doen. Ten eerste niets doen, dan krijg je kruiden en later jonge bomen. Je krijgt dan op den duur bos, maar heel anders dan de dennenakkers van nu. En ten tweede kun je de grond ook beplanten met de gewenste bomen: berk, eik, beuk, het hangt van de grond af. Je moet dan wel een houding aannemen ten opzichte van de exoten. Als de Amerikaanse vogelkers opslaat, moet je die bestrijden. Niet eens zozeer omdat het een exoot is, maar omdat hij de grond vergiftigt, waardoor er verder niets meer groeit. Hij heet niet voor niets bospest.'

De overproduktie in de EG is structureel. Er bestaat nu al een braakregeling. Al zoeken de boeren naar alternatieve mogelijkheden, op den duur zal er landbouwgrond vrijkomen. Wat dan?

'Eerlijk gezegd: ik zou het niet weten. Een ding is zeker: er komt niet zomaar natuur op. Want er zit nu zoveel fosfaat in de grond, dat je de eerste duizend jaar geen oorspronkelijke vegetatie meer terugkrijgt. We hebben hier een Atlantisch klimaat met een neerslagoverschot. Dat heeft er voor gezorgd dat wij van oorsprong vooral arme gronden hebben. Driekwart van onze oorspronkelijke flora stond op uitgespoelde, schrale grond. En nu is die grond met fosfaat en nitraat verzadigd. Ach, het struweel zal wel opschieten, er zullen wezels en marters komen, maar botanisch moet je niet veel zaaks verwachten. Zoologen denken daar heel anders over. Die zijn al gauw weer blij. Ik denk aan de ontgrindingen in Limburg. De vogelmensen juichen bij die diepe grindgaten: weer een zeldzame vogel gesignaleerd. Maar die plassen zijn biologische gezien haast dood, veel te diep en er zijn onvervangbare landschappen verdwenen.'Ik verwacht dus weinig van bossen op cultuurgronden die uit gebruik zijn genomen. Het zou wat anders zijn als je de gronden kon afgraven, als je de fosfaatverzadigde laag kon verwijderen. Maar ja, dat kan misschien hier en daar, maar hoe dat op grote schaal moet, zou ik niet weten. Het lijkt mij wel een erg omvangrijke ingreep voor het creeren van nieuwe natuurgebieden.'