Zelfs op training moet je kapot zijn, anders ben je niet intel

De cardioloog Jan Oudhof uit Reeuwijk is leider van een onderzoek dat de medische commissie van de wielerunie (KNWU) instelt naar de gezondheid van renners. Aanleiding voor het speurwerk is de dood van een aantal min of meer bekende coureurs in de laatste drie jaar: de amateurs Ruud Brouwers, Kees Evers, Rainier Valkenburg en Arjan de Ridder, rijdster Connie Meijer en de profs Bert Oosterbosch en Johannes Draaijer. De 57-jarige Oudhof: 'Als je op topniveau fietst, dan kom je uit in het niemandsland van maximaal getraind zijn en overtraind zijn. Dat kan bepaalde risico's opleveren. Daarmee zeg ik niet dat die zeven sporters aan dat laatste zijn overleden. Want dat was in bijna alle gevallen niet zo.' Is er genoeg geld voor het onderzoek van de medische commissie? Nu de officials geschrokken zijn van de sterfgevallen is er geld, maar nog niet genoeg. De KNWU zou meer fondsen beschikbaar moeten stellen, net als de profsectie en de profploegen, die nog te veel op eigen houtje doen. Als we allen samen volgens een bepaald protocol zouden werken, dan weten we over vijf jaar veel meer van allerlei medische zaken en kunnen we veel ongelukken voorkomen. Maar iedereen schermt zich op dit gebied af. Men doet geheimzinnig. Dat is al zo bij de amateurs. Iedereen zoekt iets mystieks, loopt elkaar van dokter naar dokter achterna. Op een snee brood presteren gaat niet, menen ze, er moet wel iets heel bijzonders uit moeders keukenkast komen om te schitteren. Vandaar ook het argwaan tussen soigneurs en dokters. De medici zeggen: de verzorgers rommelen maar wat aan. En de soigneurs? Die zijn praktisch beter dan theoretisch. Hun uitspraken worden door de artsen als onzinnig versleten. Om kort te gaan, er is best veel kennis die wetenschappelijk bruikbaar is, mits goed vertaald.

Lopen wielrenners grotere risico's dan andere duursporters als het om het hart gaat? Dat is een belangrijke vraag bij het onderzoek. Het kan zijn dat er sprake is van toevallige factoren. Het is bovendien zo dat we een aantal van de overleden wielrenners niet als sporters moeten zien, maar als patienten. Haal je de patienten bij de groep weg, dan valt het aantal doden statistisch mee. Er zijn meer dodelijke slachtoffers als gevolg van valpartijen van niet-helmdragers. In vergelijking met andere duursporters, zo heb ik altijd volgehouden, lopen wielrenners geen grotere risico's. Pas in de loop van de tijd zal blijken of ik gelijk heb. Naar mijn idee eisen het wielrennen en de triathlon het meeste van de sportmens. Maar de wielrenner heeft het nog zwaarder dan de tri-atleet, die doorgaans in zijn eentje bezig is. Als de wielrenner afhaakt, het peloton loslaat, dan is hij gezien. De groep bepaalt de belasting voor de minste, die door de wisselingen van het ritme een enorme inspanning moet leveren. Daardoor kan er bij zo iemand een functionele overbelasting van het hart optreden. Dan komt er nog een traditie bij: zelfs op de training moet je kapot, leeg zijn, anders ben je niet in tel. Niemand weet precies hoe ver iemand kan gaan.

Hoe is volgens u de verhouding, wat de gevaren betreft, tussen de sporter en de niet-sporter? Het hart is een electronisch systeem, waarin kortsluiting kan ontstaan. Dat is afhankelijk van de kwaliteit van de bedrading. Een slecht stukje en er gebeurt wat. Bij de niet-sporter en bij de topsporter, maar bij de laatste komt het in de krant. De vraag is: zijn er omstandigheden dat een sporter zijn hart zo overbelast dat er eerder iets gebeurt dan bij de man die de hele dag in een stoel zit? Het antwoord: er komen minder hartinfarcten voor bij mensen die aan topsport doen. Maar in de jaren dat de laatsten topsport bedrijven - op de grens trainen, op het scherpst van de snede - is de kans op een calamiteit blijkens de statistieken groter. Pas op lange termijn boeken ze dus hun winst. Er zijn critici, onder wie de KNVB-sportarts Han Inklaar, die menen dat een onderzoek naar de gezondheid van toprenners weinig effect zal hebben. Zij zien veel meer in een voorlichtingscampagne.

De voorlichting is inderdaad ook buitengewoon belangrijk. Ze moet professioneler, dat heeft de medische commissie intussen ook ontdekt. Er was van onze kant al wel sprake van enige informatie. Twee maanden voor de dood van Conny Meijer, bijvoorbeeld, schreef ik in het bulletin van de KNWU al een waarschuwing over griep en koorts. En toen had de medische commissie al het voornemen informatie te gaan verspreiden omtrent allerlei leefregels. Die ging niet alleen over de gezondheids-aspecten, ook over al dan niet verboden stimulerende middelen. We gingen uitleggen wat die teweeg brengen bij de renner of renster en wat de bijwerkingen zijn. Nee, daarmee bonden we de kat niet op het spek. We wilden iets open gooien over een materie, waarop altijd een taboe rustte dat nergens goed voor is.

Wielrenners zijn fanatiek en staan erom bekend dat ze na een blessure of ziekte weer zo snel mogelijk aan de competitie willen deelnemen. Zitten daar gevaren aan vast? Na een griep, angina of virus-infecties dient zeker een duursporter de nodige rust te nemen en zich liefst medisch te laten bekijken voordat hij weer op de fiets klimt. Want het is bekend dat bij vijf procent van de virus-infecties een ontsteking optreedt aan de hartspier of het hartzakje. Dat kan een ernstig verloop hebben, ook sluipend. Als een wielrenner niet goed uitziekt en met koorts aan een zware inspanning begint kan dat leiden tot ritmestoornissen van het hart met de dood als gevolg. Dat is het verhaal van Conny Meijer, van wie aanvankelijk werd gezegd dat ze aan een hersenletsel was bezweken. Bij het lezen van het juryrapport van de betreffende wedstrijd dacht dat er iets anders aan de hand was. Ze had geen uitvalsverschijnselen, geen trekkingen en verkrampingen gehad. Later bleek dat griep en koorts waarschijnlijk een rol hadden gespeeld.

Kunnen de problemen in het wielrennen het gevolg zijn van verkeerde eet- of trainingsmethoden? Dat willen we onderzoeken. Het zou kunnen zijn dat de voeding niet goed is of dat men soms lichaam verzorgende of prestatieverhogende preparaten neemt. En de training? Ik denk dat de trainingsbelasting veel te hoog is. Dat begint al bij de jeugd, dikwijls onder sociale druk. Niet alleen bij het wielrennen trouwens, ook bij het turnen, het tennis en het zwemmen. Bij de milieu-zwakkeren zijn de risico's op mislopen het grootst. Als de jongelui uit de eerste plezierfase zijn, dan komen de gevaren. Slepen we Jantje door die moeilijke periode heen, zo denken ouders en begeleiders, dan lonkt straks het grote geld naar hem. De vroegrijpers komen in de problemen, ze zijn opgegroeid als de besten maar kunnen ineens het tempo niet meer volgen. Ze zouden dan wel eens naar verboden middelen kunnen grijpen, met alle nare gevolgen vandien.

Arjan de Ridder had al een hartoperatie achter de rug, toen hij in een wedstrijd voor amateurs bezweek.

Tevoren had hij ernstige ritme-stoornissen aan het hart. Men ontdekte de oorzaak daarvan, opereerde hem en hij ging weer topsport bedrijven. Ik vraag me af of wij als specialisten dan niet ho, ho moet roepen. Want voor De Ridder, een patient, was het bedrijven van topsport naar pijnlijk genoeg later bleek een te groot risico. Als je geopereerd bent, ben je niet altijd beter. Als moderne sportbegeleiders moeten we het aandurven ons onsympathiek op te stellen. Maar het gezegde blijft: het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

Bij het geval-Bert Oosterbosch, die vermoedelijk een hartstilstand had, was u betrokken? Ja. Hij was na zijn profcarriere gestopt en wilde een dik jaar later weer als amateur aan de gang. Hij was hier voor de keuring. Rustig beginnen, zei ik meteen tegen hem, ofschoon ik natuurlijk niet zijn trainer was. Hoewel ik hem van top tot teen met alle middelen heb nagekeken, heb ik het gekke gevoel gehouden dat ik iets bij hem heb gemist. Ik wist niet wat en ik weet het nog steeds niet. Ik kan wel zeggen dat hij zich meteen overtraind heeft, maar daar heb ik geen vrede mee. Ik heb me voorgenomen in de toekomst voorzichtiger te zijn en dat iedere collega aan te raden.

U was vroeger wel wat gemakkelijker? Zeker toen ik nog assistent-cardioloog was in Leiden. Ik heb in de jaren zeventig nog eens flink in de clinch gelegen met een professor die een Noorse voetballer, ik meen dat hij Fuglset heette, van FC Den Haag had afgekeurd. Dat gebeurde omdat die jongen een polsslag had van wel 200, wanneer hij een hoge bal in het strafschopgebied zag naderen. Ik heb voor die Skandinavier gevochten. Een contract van een ton was een stuk beter dan werken op de steigers. En bovendien, hij had in mijn ogen weliswaar een lastige kwaal, maar geen levensgevaarlijke. Ik had bij die verloren affaire de wielrenner Franco Bitossi, die ik uit de boeken kende, in gedachten. Die Italiaan had een ernstige hartafwijking, maar blonk desondanks uit. Kreeg hij last van ritme-stoornissen, dan drukte hij enige keren op zijn keel of zijn ogen en weg waren ze.

Het Zwitserse sportdagblad Sport Zurich schreef de doden in het Nederlandse wielrennen onlangs toe aan doping, de hormoon EPO, oftewel erythropoietin. Wat vond u daarvan? Onzin. Bij de overleden renners zijn geen hartinfarcten aangetoond. Bovendien kunnen ze het niet hebben genomen omdat het pas heel kort in de handel is. Het middel wordt gebruikt voor nierdialyses om het lage bloedgehalte omhoog te brengen. De theorie is dat sporters op deze manier hun zuurstofvervoer zouden kunnen vergroten, het geeft het effect van een hoogtestage. Iets moois voor luie renners, ogenschijnlijk. Maar het nadeel ervan is dat het bloed er stroperig van wordt en het kalium in het bloed gevaarlijk kan stijgen. Het produkt geeft dus aan twee kanten gevaren voor het hart.

13543 RECORDS TRANSFERRED

    • Onze Guido Devries