Mandela: geen haatgevoelens jegens blanken

LUSAKA, 28 febr. - Nelson Mandela, de man die samen met zijn gezin zwaar heeft geleden onder het blanke racisme, zegt dat hij nog nooit in zijn leven ook maar een ogenblik haat heeft gevoeld jegens een blanke. Wel woede, maar nooit haat - een cruciaal onderscheid, aldus Mandela tijdens een gesprek want woede gaat over, maar haat blijft en bezinkt in de ziel. 'Ik ben vooral woedend geweest op de politiemensen die mijn vrouw en kinderen het leven zuur maakten toen ik in de gevangenis zat', zei Mandela. 'Maar woede is een tijdelijk gevoel, dat je snel weer vergeet, vooral als je je bezighoudt met positieve activiteiten en een positieve instelling hebt.' Menigeen die Mandela van nabij heeft meegemaakt sinds hij op 11 februari na bijna 28 jaar gevangenschap werd vrijgelaten zegt met stomheid geslagen te zijn door zijn totaal gebrek aan verbittering en zijn vermogen zich onmiddellijk als een krachtig politiek leider te doen gelden.

Een aanhanger van de regering, sinds jaren actief tegenstander van het ANC, zag hoe Mandela nog geen vier uur nadat hij de gevangenispoort uit was gekomen een menigte van 60.000 mensen op de Grand Parade in Kaapstad toesprak, en noemde het een 'verbluffend optreden'. 'De emotionele kracht die die man moet hebben om zo iets op te brengen is onvoorstelbaar', zei hij.

Soortgelijke uitspraken zijn gedaan over Walter Sisulu en anderen die in oktober na jarenlange politieke gevangenschap werden vrijgelaten. Ook zij hebben zich verrassend weinig verbitterd getoond. Dat is des te opmerkelijker omdat velen van hen barbaars zijn behandeld, vooral tijdens hun eerste jaren op het Robbeneiland.

Vernederingen

Tijdens het gesprek vertelde Mandela over de vernederingen die ze daar hebben ondergaan. Als politieke gevangenen werden ze in groep D geplaatst, de laagste van vier categorieen, met een minimum aan rechten, en dat gedurende zeventien jaar. Ze kregen driemaal per dag gekookte mais en maispap te eten, en alleen op zondag brood. Ze mochten eenmaal in de zes maanden een bezoeker ontvangen en alle lectuur van buiten, ook kranten, was verboden.

Ze moesten dwangarbeid verrichten - graven in grindgroeven en zeewier trekken in de oceaan. Mandela vertelde dat sommige sadistische cipiers gevangenen tot hun nek in het grind begroeven en dan op hun hoofd urineerden. Andere gevangenen werden door de cipiers afgetuigd. 'Ik heb geluk gehad, ik ben nooit fysiek in elkaar geslagen', zei Mandela. Volgens medegevangenen was dat geen kwestie van geluk maar van Mandela's sterke persoonlijkheid, die respect afdwong bij de cipiers en waarmee hij stukje bij beetje verbeteringen in de gevangenisomstandigheden wist te bereiken.

Maar hoewel de ergste vormen van deze politieke vijandigheid Mandela bespaard bleven, leefden de blanke autoriteiten hun rancune uit op zijn vrouw Winnie en hun kinderen. Mevrouw Mandela werd tijdens de langdurige gevangenschap van haar man keer op keer gearresteerd voor kleine overtredingen, in hechtenis genomen en gedetineerd op grond van de binnenlandse veiligheidswetten. Ze werd 'geband', wat inhield dat ze voor de wet nooit met meer dan een andere persoon samen mocht zijn.

Ze werd gedurende zeven jaar verbannen naar een afgelegen dorp waar ze moest leven te midden van vijandig gezinde blanken en nauwelijks geschoolde zwarten wier stamtaal ze aanvankelijk niet sprak, en waar de politie haar van een nabije heuveltop 24 uur per dag in de gaten hield. Winnie Mandela was een kwetsbare gijzelares: twee keer werd met een brandbom een aanslag op haar huis gepleegd en ook werd geprobeerd een bom in haar auto aan te brengen. 'Het pijnlijkst tijdens mijn gevangenschap was de wetenschap dat mijn vrouw en kinderen dat ondergingen en dat ik niets kon doen om hen te beschermen', aldus Mandela nu.

Toch werd hij ook daardoor niet verbitterd. De vrijgelaten ANC-leider maakt een scherp onderscheid tussen het apartheidssysteem dat hij zijn hele leven heeft bestreden en de individuele personen die het ten uitvoer leggen en die, zo merkte hij op, zoals mensen overal ter wereld als individu goed of slecht kunnen zijn. Daarom was hij wel ziedend op de individuele politieagenten die zijn vrouw en kinderen pestten, maar hij beklemtoonde nooit kwaad te zijn geweest op 'de blanken als zodanig' - en niet eens jegens de politie als collectief, voor veel zwarte Zuidafrikanen een vijandsymbool. De cipiers gedroegen zich vaak repressief, maar dat verweet Mandela hun nooit. Hij beoordeelde hen individueel en sloot met sommigen zelfs vriendschap. Een van hen, hoofdbewaarder Gregory ('Greg'), werd zo'n goede vriend dat hij alle jaren van zijn straf bij hem bleef: telkens als Mandela naar een andere gevangenis werd overgebracht, vroeg hij overplaatsing aan, en toen hij vrij kwam was Gregory erbij. 'Gregory was weliswaar cipier, en moest onaangename en zelfs repressieve maatregelen uitvoeren, maar hij was een hoogstaand mens en we zijn dikke vrienden geworden', aldus Mandela.

Hij sprak ook vol warmte over de man die toch in feite zijn oppercipier was, minister van justitie Kobie Coetsee, het eerste kabinetslid dat hem in 1986 in de gevangenis ontmoette en hem regelmatig bleef opzoeken. 'Een goed mens, werkelijk integer', zo omschreef Mandela hem.

Leven verrijkt

Hoe kan het dat Mandela en zijn medestrijders zo weinig wrok hebben overgehouden aan zo'n diep vernederende behandeling? Dat komt voor een deel, zegt Mandela, doordat zij, anders dan velen denken, niet vinden dat al die jaren van hun leven verspild zijn geweest. 'We hebben in de gevangenis bijzondere mensen ontmoet die ons leven hebben verrijkt', zei hij. 'En daarbij kregen we de kans over onze vroegere fouten na te denken en ons voor te nemen hoe we problemen zouden aanpakken wanneer we weer vrij zouden zijn. Dat was een waardevolle ervaring.' Ze streefden naar verdere intellectuele ontwikkeling door het organiseren van onderlinge studiegroepen en zochten naar wegen om aan nieuws van buiten te komen. Door op die manier positief te denken, vooruit te zien, plannen te maken, hielden ze hun moreel hoog, vertelde Mandela. Zo voorkwamen ze ook verbittering. 'Het is niet makkelijk om bitter te blijven als je constructief bezig bent', voegde hij eraan toe.

Wat ook kracht gaf was de innerlijke zekerheid dat wat zij hadden gedaan ethisch verantwoord was en geen misdaad. Die zekerheid, aldus Mandela, kwam grotendeels voort uit de internationale steun die zwarte Zuidafrikanen gedurende hun lange jaren van strijd hebben ontvangen. Mandela: 'Toen we bij het proces in Rivonia tot levenslang waren veroordeeld, gaf ons dat een overwinningsgevoel. We waren weliswaar schuldig bevonden en gevonnist, maar we voelden ons alsof we de regering gedurende het hele proces in het defensief hadden weten te houden - en in die stemming gingen we ook de gevangenis in.'

'

    • Allister Sparks