Ritzen mikt op onderzoeksschool; selectie moet de toelatingbij nieuwe top-instituten bepalen

ROTTERDAM, 27 febr. - Het moeten de paradepaardjes van de universiteiten worden. Onderzoeksscholen, ofwel 'graduate schools'. Onderzoekers in spe moeten er hun vak leren door mee te werken aan top-onderzoek. Dat kunnen ze straks, omdat minister Ritzen in de scholen niet alleen de jonge onderzoekers zelf wil onderbrengen, maar ook het beste onderzoek dat de universiteiten te bieden hebben.

In een eigenhandig geschreven notitie aan de Tweede Kamer schetst Ritzen een internationaal georienteerde opzet voor de scholen. Ze moeten in elk geval gaan samenwerken met 'West-Europese universiteiten van naam en faam'.

Op basis van de notitie moet een commissie nader advies uitbrengen over de vormgeving van de scholen. Ritzen heeft de hoofdlijnen eigenlijk al op papier gezet, zodat de commissie zich kan beperken tot een antwoord op de vraag of het zo kan. Ook wil de minister weten of van de universiteiten voldoende steun te verwachten is voor het idee.

Er lijkt dus weer vaart te komen in de ontwikkeling van onderzoeksscholen. Minister Deetman zette ze vorig jaar, met de bundeling van het top-onderzoek, op de rails. De eerste contouren van een onderzoekersopleiding in samenhang met top-instituten werden echter al zes jaar geleden geschetst, in enkele velletjes A4, door de toenmalige directeur-generaal voor het hoger onderwijs, dr. R. J. in 't Veld. Zijn notitie kreeg nauwelijks aandacht in het universitaire circuit. Waar dat wel het geval was, luidde het oordeel negatief. Geleidelijk aan is echter in bredere kring het besef ontstaan dat het gewenst is om de assistent-in-opleiding (AIO) zijn vak te laten leren bij de beste onderzoeksgroepen.

Nog voor de invoering van de assistent-in-opleiding (AIO) gaf een commissie van de oude Academische Raad begin jaren zeventig al een opinie over onderzoeksscholen ten beste. De commissie gaf de voorkeur aan een 'graduate school' naar Angelsaksisch model. Volgens de commissie zou zo'n school studenten niet alleen intensief moeten begeleiden, maar ook via normale onderwijsvormen moeten scholen in 'vakken en technieken die noodzakelijk zijn voor de zelfstandige beoefening van de wetenschap en die niet meer in de vierjarige doctoraalopleiding gerealiseerd kunnen worden'.

De universiteiten waren er tegen, de aandacht voor de onderzoeksscholen werd weggedrukt door de herprogrammering van het universitaire onderwijs.

Ritzen gaat nu een stap verder. Hij wil niet alleen de opleiding van de toekomstige onderzoekers in de onderzoeksscholen concentreren, maar ook het beste onderzoek dat de universiteiten te bieden hebben. De minister sluit bovendien niet uit dat de scholen zich ook gaan bezighouden met de twee-jarige ontwerpersopleidingen (in de technische wetenschappen) en met geavanceerde tweede-fase-beroepsopleidingen.

Selectie

Op de scholen zal alleen voor de beste onderzoekers en docenten plaats zijn. Zij zullen voor een deel van hun tijd (en bovendien maar voor een beperkt aantal jaren) aan een onderzoeksschool worden benoemd, aldus Ritzen. De rest van de tijd moeten ze onderwijs geven aan studenten in de eerste fase. Voor die eerste fase van universiteiten en hogescholen houdt Ritzen vast aan het huidige toelatingsrecht, maar om toegelaten te worden tot een onderzoeksschool moeten afgestudeerden door een strenge selectie heen. Dat zou, zoals nu bij de tweede-fase-opleidingen gebeurt, met behulp van een sollicitatieprocedure kunnen.

Ritzen neemt zo afstand van de adviezen van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (RAWB). Deze bepleitte de afgelopen jaren herhaaldelijk het onderbrengen van de onderzoekersopleidingen en van het top-onderzoek in instituten, maar geheel buiten de universiteit. 'Er moet een duidelijk onderscheid zijn in management en financiering voor onderwijs en voor onderzoek', merkte RAWB-voorzitter dr. P. Kramer onlangs op tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer. 'Nederlands onderzoek moet internationaal zichtbaar zijn, Europese taakverdeling is onontkoombaar. Daarom is het nodig dat er plaatsen komen waar mensen zich voor honderd procent met onderzoek bezig kunnen houden. Dat kan niet binnen de universiteiten. Het klimaat daar is er niet geschikt voor.' Ritzen wil de band tussen onderwijs en onderzoek niet volledig doorsnijden. Bovendien wil hij, anders dan Kramer, de opleiding en het top-onderzoek wel zoveel mogelijk binnen de universitaire muren handhaven, binnen de huidige wettelijke mogelijkheden. Dat leidt tot de vorming van (facultaire) onderzoeksinstituten. Een faculteit kan het beleid voor de lange termijn dan nog wel in hoofdlijnen zelf bepalen, maar de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken - en voor het typische onderzoeksbeleid - komt bij een wetenschappelijk directeur te berusten. Behalve het management zal ook de financiering van dit soort instituten worden aangepast. Ritzen wil dat, net als voorgesteld voor het onderwijs, prestaties gaan bepalen hoeveel geld een onderzoekssschool krijgt.

De universiteiten zullen zich dus verder moeten gaan profileren. Niet elke faculteit krijgt immers een of meerdere onderzoeksscholen. Concentratie van hoogwaardig onderzoek is volgens Ritzen nodig om een goede begeleiding mogelijk te maken. 'Dit betekent dat fysieke concentratie en bundeling van schaarse krachten nodig is om versnippering te vermijden', schrijft hij.

Ook al wil Ritzen de band tussen onderwijs en onderzoek bewaren, de onderzoeksscholen zullen wel degelijk een andere kijk op de verhouding van de twee met zich meebrengen. Steeds meer zullen ze als afzonderlijke, louter organisatorisch verbonden activiteiten worden beschouwd. De huidige praktijk, waarin vrijwel iedere universitaire medewerker zowel moet doceren als onderzoek verrichten, zal grotendeels verdwijnen. De combinatie zal voorbehouden zijn aan de staf van een onderzoeksschool. Daarop vooruitlopend vraagt Ritzen zich alvast af of het promotierecht niet ook zou moeten worden beperkt tot hoogleraren die aan zo'n onderzoeksschool zijn verbonden. En dat zullen niet alle hoogleraren zijn.