Maastricht viert 'leste communis'

MAASTRICHT, 26 febr. - 'De leste communis' was gisteren niet de vrolijkste van de duizenden Maastrichtenaren die de 'groete optoch' van het carnaval gadesloegen en meevierden. De jongeman in de blauwe proletarische overall, zwarte schmink en zwarte hoed en dat reepje wit papier met daarop die drie woorden, was de uitzondering in de deinende massa op het Vrijthof. Schuilend voor een druilerige regen op het terras van Cafe des Artistes was hij de zelfverkozen eenling in de vrolijke gekte, die kleuriger en kostbaarder was dan ooit.

Het carnaval in Maastricht, altijd al het meest originele in de periodieke dwaasheid van het zuiden, blijft zichzelf. De consumptiemaatschappij levert ook voor de grote leut de clownspakken en glitterkostuums, maar in Maastricht heeft de gekte nog zijn originele beoefenaars. Waarom mensen zich uitdossen als laatste communist, palmboom, klamboe, haan of hond, of rondlopen met een apparaat met fietsende dode kippen, was hier nooit een vraag, maar een plezier.

Het boerenbont dat in Brabant en benoorden de rivieren zo populair is als vermomming, is in Maastricht bijna afwezig. Het valt bijna in het niet tussen de pastoors en nonnen, al zijn die zelfs hier onder invloed van het reeel bestaande kapitalisme zeldzaam zijn geworden.

Ze waren er dus allemaal weer, de carnavalsverenigingen uit de diverse stadswijken, de harmonieen en orkestjes ('Astrant en Plezant') en de praalwagens, zoals die van de Directie Rijkswaterstaat Limburg, getiteld 'De Maos geit doed' (De Maas gaat dood). Kritiek op autoriteiten was zo goed als afwezig. Wel werd in de optocht het groepje 'Urbi et Orgie' gevolgd door een 'Aids Preventie Team', dat onder het 'sponsorschap' van monseigneur Gijsen vrolijk ernstig deed ('Heb dur vanaovend zin, pakt hem dan goed in'). Achter het terras waar de notabelen de optocht naar behoren gade sloegen, vermeldde een affiche het programma van de cabaretier Herman Finkers: 'De zon gaat zinloos onder, morgen moet ze toch weer op'. (Foto NRC Handelsblad/ Leo van Velzen)