De angst der intellectuelen

Hun liefdesverhouding dreigt weer eens op de klippen te lopen. Lange tijd leken ze redelijk langs elkaar heen te kunnen leven. Maar nu menen ze het toch uit te moeten maken. Hij die dacht dominant te mogen zijn, voelt zich nu plots verlaten door zijn minnares en begint zich uit angst voor de teloorgang van zijn positie maar vast in de slachtofferrol te wentelen.

De symptomen voor de naderende breuk in de relatie stapelden zich de afgelopen twee weken op. Het eerste signaal was het artikel van de historicus J. W. Oerlemans op de opiniepagina van 14 februari in deze krant. We denken dat ze CDA, PvdA, VVD en D66 heten, maar in feite wordt Nederland volgens Oerlemans geregeerd door de CPSU. Met dat verschil dat die communistische partij nog wordt gedragen door de tien procent van de bevolking die lid is, terwijl bij ons 0,4 procent het voor het zeggen heeft. Want zo 'groot' is de 'oligarchie van beroepspolitici' die in de ogen van de historicus 'de politieke macht geheel in handen heeft'. Vervolgens verscheen bij het hoofdstedelijke politiek-culturele centrum De Balie een boekje over de 'pretenties' van onze politieke partijen. Geinspireerd door de Duitse publicist Hans Magnus Enzensberger stelde Paul Kuypers (ooit rechterhand van de regeringscommissaris die de opdracht had de rijksdienst te reorganiseren) daarin genuanceerd vast dat partijen niet meer het 'centrum van politiek denken en handelen zijn'. En zaterdag verzorgden George Steiner, de cultuurfilosoof die sinds Wim Kayzers vierluik op de VPRO-televisie in Nederland wordt bejubeld als origineel denker, en de historicus George Mosse op een bijeenkomst van jonge Amsterdamse historici rondom het meer dan boeiende tijdschrift Skript de climax van al deze cultuurpessimistische ontboezemingen. De wereld gaat ten onder omdat er in Amsterdam kinderporno te koop is en er in Engeland onlangs een competitie voor American football is gestart, aldus Steiner. Mosse, op handen gedragen door menig linkse 'outsider', complementeerde de door Steiner gschetste Apocalyps vervolgens met graagte. Ook het stripboek en de Amerikaanse hardrockgroep Guns and Roses (beroemd om een zacht, akoestische en welhaast slijmerige ballade, maar dit terzijde) kleuren volgens hem de metafoor van de hedendaagse ondergang.

En toen werd het me te veel. Ik zal het niet ontkennen. Kuypers snijdt een belangrijk thema aan. Er kan niet vaak genoeg op worden gewezen dat politici en burgers steeds meer in gescheiden werelden leven en deze vervreemding een gevaar kan worden voor de kwaliteit van onze democratische verhoudingen. Ook voor Steiner heb ik begrip. Dat hij door zijn succes een intellectuele oplichter dreigt te worden, die er kennelijk lol in heeft te onderzoeken hoever hij met zijn charlatanerie kan gaan voordat hij wordt betrapt, mag zeker journalisten niet verbazen. Een keer op straat van de sokken gereden worden en je denkt al gauw dat de wereld ten onder gaat. Een keer een politiehond in je kuiten en het fascisme is nabij. Oerlemans kletst evenmin uit zijn nek. Hij heeft voor tenminste de helft gelijk, ook al was zijn artikel in feite gewoon de zoveelste variant op de reeds in 1911 door Robert Michels gepostuleerde 'ijzeren wet van de oligarchie' en al die andere politieke-sociologische studies die daarop sindsdien hebben voortgeborduurd. Het was hooguit jammer dat Oerlemans zijn theorie zonder enige bronvermelding presenteerde en zich aldus kon onttrekken aan de toch interessante vraag waarom dezelfde Michels, ooit keurig sociaal-democraat, op zijn oude dag uiteindelijk voor het fascisme koos.

Kortom, er zijn meer dan genoeg redenen om de politici en hun eigen autarkische economie, zoals Enzensberger het gisteren in het televisie-programma van Adriaan van Dis typeerde, nooit met rust te laten. En de vrijheid van die kritiek is schier onbegrensd. Politici die intellectuelen daarom als deloyaal ervaren of de mond proberen te snoeren moeten daarom verbaal achtervolgd blijven worden, mits het fatsoenlijk gebeurt, desnoods tot op de wc.

Maar juist daarom is het zo treurig dat de kritiek van sommigen zo weinig geavanceerd is. Zowel de kritiek van Oerlemans als die van Steiner en Mosse is namelijk niet meer dan een enigszins rancuneuze uiting van radicalisten-op-leeftijd, de ontkenning van Churchill's adagium dat een achttienjarige die geen socialist is, geen hart heeft, maar de veertigjarige die het nog is geen verstand.

Oerlemans ontmaskerde zich bijna openlijk. Want nadat hij zich eerst vrolijk had gemaakt over de 'warrige potsierlijkheid' van de studentenbeweging begin jaren zeventig - een curieuze typologie, althans uit de pen van een historicus - kopieerde Oerlemans vervolgens ongegeneerd de kritiek op de parlementaire democratie van dezelfde studentenbeweging: de kritiek dat onze democratische organen niet waarachtig zijn maar slechts instrumenten in de handen van de 'gecoopteerde' elite. Mosse deed er zaterdag nog een schepje bovenop. Politieke partijen zijn volgens hem de 'dood voor de democratie' omdat de intelligentsia er niet snel genoeg in omhoog kan stoten. 'The poorest come on top'.

Steiner ontpopte zich bij dezelfde gelegenheid zelfs als een stamokap'er-apres-la-lettre. Wat de theoretici van het 'staatsmonopoliekapitalisme' (in goed Duits afgekort tot stamokap) al ruim tien jaar niet meer met goed fatsoen durven te zeggen, zei hij wel: het zijn de grote reclamebureaus die de macht hebben, in de politiek zitten slechts de 'kleine mafiosi'. En Oost-Europa dan? 'Ach, daar willen ze slechts een nette keuken, een auto voor de deur en een zonnebril en geen chambres des deputees'. Dat nu zijn gotspes. Dat intellectuelen zich in West-Europa politiek vervelen doordat de emancipatie van kleine luyden en arbeiders zo succesvol is geweest dat de politiek hier geen bezigheid meer is van de elite doch van de middenklasse, is hun niet euvel te duiden. Dat Oerlemans, Steiner en Mosse zich niet in het debat mengen, zoals Gyorgy Konrad of Vaclav Havel, staat hen weliswaar niet netjes maar is allerminst laakbaar. Maar dat ontslaat hen niet van de plicht om hun kritiek zuiver en analytisch te houden. Zoals Enzensberger het nu al dertig jaar doet. Doen intellectuelen dat niet, dan lopen ze het risico terecht te komen in het kamp van de anti-politiek. Dan zijn ze niet meer dan de tolk van een elite die slechts betreurt dat ze het niet meer voor het zeggen heeft. Plato is al 2338 jaar dood. Maar kennelijk hebben nog steeds velen zich er niet bij neergelegd dat zijn politieke theorie niet meer realiseerbaar is. Dat is geen nieuws. Hopelijk geldt hetzelfde voor de vulgair Platonische politieke praktijk. Konrad heeft vrijdag in het Cultureel Supplement in ieder geval een concreet plannetje gepresenteerd. Goddank.

    • Hubert Smeets