Universiteit onder de grond

De Tsjechische theoloog en filosoof Ladislav Hejdanek verdiende in de jaren van de totalitaire repressie achtereenvolgens de kost met het bewaken van een letterkundig museum ('snachts) en het stoken van verwarmingsketels. Van de drie baantjes die Husak en de zijnen voor staatsgevaarlijke intellectuelen in petto hadden werd het straatvegerschap hem onthouden, want dat zou Hejdanek in contact hebben gebracht met de mensen op straat. Dat risico vond de regering toch te groot.

Na de Praagse Lente van '68 was Hejdanek van het filosofisch instituut van de Tsjechische Academie naar de maatschappelijke duisternis verbannen, waarin hij tot de revolutie van drie maanden geleden, dus eenentwintig jaar aan een stuk, zijn nederige werk verrichtte. Met talloze andere dissidenten die later de aanklacht van Charta 77 tegen de schending van de mensenrechten in Tsjechoslowakije zouden ondertekenen, was hij officieel gedegradeerd, maar uitstoting noch vrijheidsberoving en armoede hadden hem klein gekregen. De jaren die hij op de onderste sport van de sociale ladder had doorgebracht, leken zijn levenslust en zijn intellectuele kracht eerder te hebben gescherpt dan te hebben aangetast. De eenvoudige beroepen die Hejdanek in het politieke schimmenrijk van de Praagse Hades had uitgeoefend betitelde hij met typisch Tsjechische dissidentenironie welgemoed als geliefde intellectuelenbaantjes. Voor de meeste, doodverklaarde intellectuelen waren ze een 'blessing in disguise', want ze gaven onbeperkt gelegenheid bij het werk te lezen en te studeren. Hejdanek sprak er na de revolutie met een zekere vrolijkheid over alsof het regime-Husak hem een grote dienst had bewezen. In de editie van 19 december '89 van Voorwaarts (dat zojuist zelf een - restauratieve - revolutie heeft doorgemaakt, die de greep van het partijbestuur op het PvdA-blad heeft hersteld) vertelde Hejdanek aan Rinke van den Brink dat de stalinisten de Tsjechische intellectuelen het leven zo zuur hadden gemaakt dat dezen geen kans hadden gekregen in slaap te vallen. De filosofen - die in de dissidentenbeweging een groot aantal vormden - waren daardoor gedwongen geweest te blijven nadenken. In een totalitaire maatschappij was dat volgens Hejdanek makkelijker dan in een Westerse welvaartmaatschappij. Weliswaar had de buitenwereld van het ware intellectuele leven in Tsjechoslowakije al die jaren niet veel gemerkt, maar onder de grond had het gefloreerd als nooit tevoren en een vitale activiteit ontwikkeld die het boven de grond misschien nooit zou hebben bereikt.

Hejdanek geloofde niet dat Westerse intellectuelen minder, wel dat ze slechter nadenken. 'Hun welvaart hindert hen bij het denken'.

Die stelling hoeft men niet te onderschrijven om de democratische Tsjechen toch het morele recht op overdrijving te gunnen. Ze hebben immers de weergaloze wijsheid gehad een door het regime-Husak uitgespuwde toneelschrijver-filosoof uit de Onderwereld op te vissen en die tot hun staatspresident te bombarderen. Er is weinig dat in de laatste tien jaar zoveel indruk heeft gemaakt als de morele onverschrokkenheid waarmee Vaclav Havel in zijn ondergrondse politieke geschriften keer op keer bij de rechtbanken die hem lieten opsluiten, het recht op de vrijheid van mening heeft verdedigd met een beroep op het door zijn land, in de Lente van 1968 geratificeerde Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten.

In de Times Literary Supplement heeft Roger Scruton een fascinerend portret van dat ondergrondse intellectuele leven in Praag geschreven, waarin tal van Europese geleerden van naam de afgelopen twintig jaar hebben gefigureerd. De schrijver van het TLS-artikel, die hoogleraar in de filosofie aan het Birkbeck College in Londen is, geeft op grond van eigen ervaringen een enerverende beschrijving van de benarde omstandigheden waarin de Tsjechische dissidenten hun ondergrondse intellectuele activiteiten moesten organiseren.

De eerste vergaderingen waren nog huiskamerbijeenkomsten waarop af en toe buitenlandse docenten (in het begin hoofdzakelijk Engelse filosofen) een lezing hielden. Naarmate de belangstelling van de Tsjechen groter werd, namen ook de risico's van ontdekking toe, maar de terreinkennis van de illegaliteit was, zoals altijd, zoveel groter dan die van de staatspolitie dat doeltreffende invallen meer uitzondering dan regel waren. Dat wil niet zeggen dat de dissidenten in hun ondergrondse collegebanken comfortabel achterover konden leunen. De bezoekers van de bijeenkomsten moesten zich steeds onzichtbaar maken om niet de aandacht te trekken van de geheim agenten, die bij alle bekende dissidenten voor de deur de wacht hielden. Waren ze eenmaal het bewuste flatgebouw binnen, dan moesten ze op hun tenen naar boven en bij de ingang moesten ze zich fluisterend bekend maken voordat ze binnen werden gelaten.

De buitenlandse bezoekers die in deze ondergrondse universiteit (waarvoor Scruton afwisselend de term catacombencultuur gebruikt) regelmatig lezingen hielden, waren afkomstig uit Nederland, Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en de Bondsrepubliek. Scruton noemt Nederland als eerste, maar vermeldt geen namen van Nederlanders. Wel die van de overige buitenlanders, zoals Alain Finkielkraut, C. H. Sisson, David Pryce-Jones, Michael Berkeley, Judith Weir, Julian Mitchell, Jurgen Habermas, Peter Fuller, Thomas Nagel, Steven Lukes, David Selbourne en vele anderen. Ze brachten - met of zonder de complimenten van hun universiteit - allemaal boeken en ander onderwijsmateriaal mee, smokkelden drukapparatuur, computerprogramma's, geluidsbanden en fotokopieermachines het land in en leverden aldus naar vermogen een bijdrage aan de organisatie van de Tsjechische ondergrondse universiteit.

De Nederlandse academische instellingen hebben daarbij geen slecht figuur geslagen. Tal van universitaire instituten, de Europese Culturele Stichting, de Pen Club en de stichting Aida (die veel voor de Tsjechische kunstenaars heeft gedaan) hebben gegeven wat ze konden, maar Nederland kan niet genoeg geven - uit zijn hoorn des overvloeds. De Tsjechische democraten die hun politieke bestaan van de grond af moeten opbouwen, hebben een schreeuwende behoefte aan papier (dat geldt voor heel Oost-Europa), maar ook aan leerboeken en computers. In de boekwinkels van Praag (Warschau, Boedapest, enzovoort) is nauwelijks buitenlandse literatuur te vinden. En wat er is, is voor de smachtende, literatuurhongerige liefhebbers daar onbetaalbaar. Laten we daarom vandaag nog een literaire luchtbrug opzetten. P. S. Vorige week heb ik de achttiende-eeuwse topografie van Den Haag verkeerd gelezen. De heer C. J. Graafland uit Den Haag heeft mij erop gewezen dat het huis van Pieter van Bleiswijk, waar het revolutionaire volk in 1787 de ruiten ingooide, niet op de hoek van de Herengracht en de Fluwelen Burgwal staat, maar op de hoek van de Herengracht en de Zwarteweg, dus aan het begin van de gevelrij. De heer Graafland heeft de geschiedenis van het pand laten nagaan toen de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters, waarvan hij na de oorlog het hoofd was, erin gevestigd was. Het perceel is nu genummerd '23'.