Scepsis over plan voor oeververbinding

MIDDELBURG, 24 febr. - In de plannen voor de aanleg van een tunnel-brug of een tunnel tussen Zuid-Beveland en Zeeuwsch-Vlaanderen schuilt een groot aantal onzekerheden. De private financiers moeten zich er goed van verzekeren of het project waarop Zeeland nu al dertig jaar wacht, financieel haalbaar is. Financieel expert L. J. C. M. le Blanc liet zich deze week, in een vraaggesprek bij Omroep Zeeland, allesbehalve optimistisch uit over de plannen. Le Blanc was in 1987 voorzitter van een naar hem genoemde commissie die grote infrastructurele rijksprojecten onderzocht op hun financiele aspecten. Met zijn waarschuwing reageerde hij op het nieuwe financieringsvoorstel dat minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) deze week bekendmaakte. Ze laat de jaarlijkse BTW-afdracht van het project (ongeveer 4,5 miljoen gulden) voor rekening komen van het ministerie van verkeer en waterstaat en garandeert bovendien tijdens de bouw van de oeververbinding een inflatiecorrectie van honderd procent. In totaal geeft de minister jaarlijks 41,1 miljoen gulden aan de provincie Zeeland voor de Westerschelde Oeververbinding (WOV). Dat is ongeveer 11 miljoen per jaar meer dan het vorige kabinet bereid was vrij te maken.

Le Blanc maant tot grote voorzichtigheid: 'De situatie op de geld- en kapitaalmarkt is erg onzeker. Dit is dus geen goed moment om een beslissing over de bouw van een vaste oververbinding te nemen'.

Verder zet hij vraagtekens bij de verwachte hoeveelheid verkeer die van de toltunnel of toltunnel-brug gebruik zal maken. 'Die is van groot belang voor de mate van rentabiliteit van het project.' Volgens Le Blanc leert de ervaring dat grootschalige projecten vaak veel duurder blijken dan oorspronkelijk was gepland. 'Kijk bijvoorbeeld naar de bouwkosten van de Kanaaltunnel.'

Stormvloedkering

Twijfels over de haalbaarheid leven ook bij enkele oud-ministers van verkeer en waterstaat. 'Je kunt er donder op zeggen dat zo'n project 20 tot 30 procent duurder uitpakt dan aanvankelijk werd begroot. Zo gaat dat namelijk altijd', zegt mr. H. J. Zeevalking, minister van verkeer en waterstaat in 1981 en '82. 'We hebben dat ook gezien bij de bouw van de stormvloedkering in de Oosterschelde.'

De oud-D66-minister vraagt zich af of de aanleg van de vaste oeververbinding nog nodig is. 'Als je kiest voor een WOV moet je dat doen in het belang van de inwoners van Zeeuwsch-Vlaanderen. Ik weet eigenlijk niet of zij die verbinding wel willen. Bovendien kun je je afvragen of er na 1992 nog wel sprake is van een isolement van het gebied. De Zeeuwsch-Vlamingen richten zich dan toch gewoon op Vlaanderen.' Ir. D. S. Tuijnman, minister van 1977 tot en met 1981 in het kabinet Van Agt-Wiegel, vindt dat de huidige situatie rondom de WOV erg veel lijkt op de stand van zaken aan het begin van de jaren tachtig. 'We dachten toen ook dat we de financiering van de WOV net rond zouden krijgen. Maar bij nader inzien bleek het toch allemaal te krap. De rente steeg bijvoorbeeld tot boven de tien procent. We vonden dat te riskant.' Oud-ARP'er J. A Bakker, minister van verkeer en waterstaat in het kabinet-De Jong (1967-1971) toont zich redelijk positief over het slagen van een eventuele 'operatie- WOV'. Na zijn ministerschap bleef hij als voorzitter van de raad van commmissarissen van Ballast-Nedam zeer geintereseerd in het wel en wee van de oeververbinding. 'Natuurlijk, er is voldoende geld nodig voor zo'n onderneming. Maar als de bouwers van tevoren tot de conclusie komen dat de zaak haalbaar is, dan kun je daar alle vertrouwen in hebben. De bouw van een tunnel is vrij eenvoudig. De kosten ervan kun je goed berekenen en vervolgens goed in de hand houden.'