'Ik ben Westers, ik wil vrijheid'

Ik zoek een lege eerste klas coupe op om ongestoord te kunnen lezen in mijn boek. Gelukkig is dat geen probleem: de boemeltrein tussen Utrecht en Rotterdam rijdt op dit uur in de ochtend voornamelijk voor middelbare scholieren en die zijn samengepakt in de tweede klasse of op de balkons.

Ik ga zitten en sla mijn boek open. Dan hoor ik een hoge stem lachen. En nog een. Er is niemand te zien. De stemmen zijn te duidelijk hoorbaar om uit de belendende coupe te komen. Heel kort de gedachte: iemand haalt een grap uit. Maar dan wordt er weer gelachen. Hoog en vrouwelijk.

Ik moet iets overwinnen, maar dan spreek ik tot de lege wand tegenover mij: 'Hallo.'

'Hallo, meneer.' In de duisternis onder de bank tegenover mij zie ik een arm en als ik goed kijk een been, gehuld in spijkerstof. Nu hoor ik van onder mijn eigen bank weer gelach. Daar ligt er dus nog een. Er is slechts vaag een goudglanzend overhemd te zien als ik voorover buig en kijk. 'Hallo. Wat doen jullie daar?' Ik probeer het zo achteloos mogelijk te laten klinken.

Volgt gedempt overleg in rad Arabisch. Dan zegt de bank tegenover me: 'Wij zijn van huis weggelopen.'

'Maar waar komen jullie dan vandaan?' 'Uit Utrecht', zegt Spijkerbroek. 'Stil, meneer!' zegt Gouden Blouse dringend, 'De vrouw kan zo komen.'

'De conductrice, ' verduidelijkt Spijkerbroek, 'Zult u niet zeggen dat we hier zijn?' Ik geef gevolg aan het verzoek, en probeer te lezen in mijn boek. Gedurende een paar minuten wordt complete radiostilte in acht genomen. De trein rijdt door het voormalige Groene Hart van Zuid-Holland, nu volgebouwd met identieke aanleun- en combinatiewoningen. Mijn reisgenotes zijn muisstil in hun oncomfortabele positie. 'Zal ik niet eens kijken of ze eraan komt, de conductrice', zeg ik. Er is niets te zien en dat deel ik mee aan de verstekelingen. 'Zeg eens, waarom zijn jullie weggelopen?'

'Ik heb gisterenavond moeilijkheden gehad met mijn vader', zegt Spijkerbroek. Ze praat snel, bijna accentloos Nederlands. 'Ik was tot tien uur uit geweest. Tegen mijn vader had ik gezegd dat ik op school was. Maar dat had hij al gecontroleerd.' Spijkerbroek zegt dat ze 'kleuterjuffrouw' is. Ze is zeventien jaar, haar zusje onder mijn bank is zestien en zit nog op de middelbare school. 'Maar waar gaan jullie nu naar toe?' 'Naar een vriend', zegt Spijkerbroek. 'Nee, nee, ' corrigeert Gouden Blouse geschrokken, 'Naar een vriendin!'

De trein stopt bij een station. Gespannen stilte. 'Kunnen jullie ergens opgevangen worden', vraag ik als de trein weer rijdt. Ik begin me een beetje verantwoordelijk te voelen voor de zusjes. Het kan goed zijn dat ze alles voor de grap verzonnen hebben. Maar misschien is hun verhaal wel waar. 'Ik heb een voogd van de kinderbescherming', zegt Spijkerbroek. 'Mijn vader slaat mij vaak. Met een ijzeren staaf. En als de voogd komt, zegt hij dat ik bij mijn tante ben.'

De trein stopt weer. Vlakbij klinkt een fluitje. Paniek onder de banken. 'Daar is ze! Stil!' Een conductrice komt voorbij, hoedje op het achterhoofd. Ze wuift naar mijn vervoersbewijs en verdwijnt weer.

Dan begint Spijkerbroek gehaast te vertellen hoe ze vorig jaar door haar vader naar Marokko is ontvoerd. 'Hij vond dat ik hier geen goede opvoeding krijg. Ik woonde een half jaar in een klein dorpje. Ik moest water halen op een ezel!' De meisjes proesten het uit. 'En ik moest mijn eigen kleren wassen. Met mijn handen. Vind je dat normaal, dan?' Nee, mij lijkt het ongemakkelijk, zeg ik. En het meisje vertelt hoe haar vader uiteindelijk inzag dat ze niet meer kon aarden in de cultuur van zijn dorp. 'Ik ben Westers', klinkt het trots, ' ik wil vrijheid.'

'En jij', vraag ik Gouden Blouse, ' Ben jij ook in Marokko geweest?' 'Nee', zegt ze. 'Zij is nog nooit weggelopen', zegt Spijkerbroek, 'ik heel vaak. Ik wil op kamers wonen.' De trein stopt. Ik moet eruit. 'Jullie passen wel een beetje op, he?', zeg ik. De meisjes lachen. Ik verlaat mijn wonderlijke lege coupe. 'Dag, meneer!', roepen de banken in koor.

FRANK VERMEULEN

    • Frank Vermeulen