Een strafcorner is niet alleen maar een ram tegen de bal

Tom van 't Hek (31 jaar, 216 interlands) behoort tot de routiniers van het Nederlands hockeyelftal, dat gisteren door een 3-1 overwinning tegen Pakistan in Lahore het wereldkampioenschap veroverde. Zijn sterkste punt was het uitlokken van strafcorners die Floris-Jan Bovelander vervolgens in doelpunten omzette. Op zijn oude dag beleefde dokter Van 't Hek derhalve het hoogtepunt van zijn carriere. Staande op het erepodium genoot hij er samen met bondscoach Jorritsma intens van.

Wat is de betekenis van zo'n wereldkampioenschap voor jou? Het is voor mij de kroon op een heleboel jaren van inspanning. Hiervoor heb ik met hart en ziel gewerkt. Zo'n kans krijg je als hockeyer niet vaak in je leven, of je nou twintig of dertig bent. Voor mij kwam die op mijn oude dag. Heel onverwachts. Ik had voor mijn gevoel al afscheid genomen. Totdat Hans Jorritsma een half jaar geleden zei dat hij voor mij een taak bij het wereldkampioenschap zag. In de hockeywereld hebben veel mensen een mening en er waren erbij die zeker wisten dat ik het niet meer zou redden. Die vonden het toch zo dom van Hans. Daarom vind ik deze wereldtitel extra leuk. Begrijp je? Ik weet dat ik nu niet meer kan wat ik vijf jaar geleden nog wel kon. Maar met een beetje slimheid en een bepaalde opdracht kan ik nog een eind komen. De taakbewustheid is ook een sterk punt van de spelers van deze nationale ploeg. De sfeer in Lahore met op de finaledag 70.000 toeschouwers geeft een extra dimensie aan deze titel. Er was sprake van voetbaltaferelen. Die zijn jullie in het hockey niet gewend.

Het is een droom om bij een WK het thuisland in de finale te kloppen. En dan ook nog eens voor zo'n mensenmassa. Toch moet je de macht van het publiek niet overschatten. Op het veld blijft het elf tegen elf. De Australiers hadden ons verteld dat het publiek redelijk verlammend op ze had gewerkt. Zoiets gebeurt natuurlijk op het moment dat je als ploeg uit je spel raakt. Daar hebben wij gisteren geen last van gehad. Ook niet na die 1-0. En je weet dat die 70.000 mensen ook zo weer stil zijn als het slecht met hun ploeg gaat. Een strafcorner van Bovelander en het is zo stil als de Leusderheide op maandagmiddag. Dat bleek dus ook.

Geld levert zo'n WK-succes niet op. Ben je nooit eens jaloers op mensen uit andere takken van sport die een vette premie voor zo'n medaille zouden krijgen? Ik kan me spiegelen aan een paar honderd sportmensen die het financieel beter hebben dan ik, maar ik kan dus ook kijken naar die honderd miljoen mensen die zo'n WK-finale voor 70.000 toeschouwers nooit zullen meemaken. De sport heeft me geen BMW's of gouden rackets opgeleverd. Nou en? Ik heb door het hockey zo veel plezier beleefd. Het heeft grote invloed op mijn kijk op het leven gehad. Ik ben de hele wereld over geweest. En dat omdat ik toevallig een beetje met een stick tegen een bal kan slaan. Daarom voel ik me juist enorm bevoorrecht en wil ik liever van geluk dan van pech spreken. Het is voor een sport als hockey gewoon geen haalbare kaart om spelers te betalen. Naar een Wimbledon-finale kijken een miljard mensen, naar een hockeyfinale misschien een miljoen. Dat verschil vind je ook in de honorering terug. Ik vind de hoogte van de bedragen in de profsport vaak wel buiten alle proporties. Ik kan nog begrijpen dat Becker en Lendl miljonair zijn, maar dat spelers als Schapers en Nijssen het ook nog eens goed hebben, nee. Dat zijn gewoon matige tennissers. Los van het geld gaat het in de sport natuurlijk altijd toch om het winnen. Van Basten denkt als hij aan de WK-finale begint ook niet aan de premie, al denk ik niet dat de voetballers straks in Italie zo ver zullen komen. Ze hebben namelijk een slechte coach. Al na drie zinnen van Libregts wist ik dat je met die man nooit wereldkampioen wordt.

Het is opvallend dat hockeyers altijd over voetbal praten.

Voetbal behoort tot de aansprekende sporten. Tennis ook, maar wij hebben geen Becker in huis. En het interesseert me niet dat Schapers in de tweede ronde in Sydney heeft gewonnen. Dan ligt hij er in de derde ronde toch uit. Ook hockeyers hebben vroeger op straat gevoetbald. Het is een leuke sport. Ik ga nog regelmatig kijken. Het is jammer dat er rondom het voetbal zo veel niet klopt. Ik vraag me op de tribune wel eens af wat ik daar eigenlijk zoek. Zelfs als er niets gebeurt hoor je nog de meest vreselijke dingen roepen en zingen. Wat is de zin van zo'n sport, he? Ik vind het voetbal vaak een oorlog zonder wapens. Neem nou de sfeer rondom zo'n Nederland-West-Duitsland in Hamburg tijdens het EK. Wat de kranten de volgende dag schreven. Zelfs in het bolletje in de NRC stond: en nu de fietsen nog. Dat is geen humor meer. Het was voor mij bijna een reden om mijn abonnement op te zeggen.

In tegenstelling tot voetbal is hockey een kleine sport met maar weinig landen die het echt serieus bedrijven.

Sinds de Olympische Spelen in Seoul schijnen de mensen zich daar zorgen om te maken. Maar ik kan me niet anders herinneren dan dat hockey door niet meer dan zes a acht landen goed wordt gespeeld. Wat dat betreft is er de laatste tien jaar ook niets wezenlijks veranderd. Ik vind niet dat er nu maar aan de spelregels moet worden gesleuteld. Het enige waar ik wel wat in zie is het terugbrengen van het aantal spelers per team, naar acht bijvoorbeeld. Dat geldt ook voor voetbal. Dat zou er op het veld meer ruimte voor het individu komen. Mij interesseert het persoonlijk niets als er geen toeschouwers naar het hockey komen. Ik speel toch wel lekker. Het is ook iets typisch Nederlands om vraagtekens bij vrijwel elke goede prestatie te zetten. Zoiets van: er zal wel iets aan de hand zijn. Bij het schaatsen zijn er ook maar een paar landen die echt meedoen. Daar maakt blijkbaar niemand zich zorgen over en wordt er zo'n zestig uur per week op televisie uitgezonden. Voor een rit tussen Petra Moolhuizen en Hanneke de Vries wordt het journaal verschoven en van een World Cup-wedstrijd in Innsbruck met alleen de vader van Hadschieff op de tribune komt er toch nog zo'n uurtje of zes op de tv. Men vond het hier vreemd dat ik zei dat het goed was dat Koss wereldkampioen is geworden. Maar het komt toch reeler over dan dat er op de plaatsen een tot en met vier Nederlanders staan. Er moet altijd concurrentie zijn. Daarom ben ik ook dolblij dat in het hockey Pakistan weer terug aan de top is.

Bij het WK werden de belangrijkste doelpunten uit strafcorners gescoord. Dat is toch niet gunstig? Er zijn verdomd goede velddoelpunten gescoord. Te weinig. Maar echt een probleem vind ik dat niet. Ik geef toe dat je daar als Nederlander wat makkelijker over praat. We hebben altijd de beste corner in huis gehad. Ik heb bij Kampong weleens een periode gehad dat we wedstrijden verloren op strafcorners. Dat frusteerde me toen ook en ik vond het ook heel onrechtvaardig, maar ik dacht wel van: dinsdag weer op die strafcorner trainen. Er gaat zo veel aan de corner vooraf, vooral veel trainingsuren. Het is niet alleen een kwestie van een ram tegen die bal geven. Dat was altijd de misvatting bij Paul Litjens. Er zit veel mentaals achter een corner. Floris-Jan Bovelander heeft zo'n goede strafcorner omdat hij mentaal zo sterk is. En corner of geen corner, iedereen in Nederland vindt hockey weer even leuk omdat we de wereldtitel hebben gepakt en van West-Duitsland hebben gewonnen.

Vind jij ook niet dat hockey te weinig echte vedetten heeft? Blijkbaar tellen in zo'n geval niet alleen de speltechnische kwaliteiten van een speler mee, maar ook zijn karakter. Ik weet niet of ik zelf zo anders ben dan anderen. Ik heb wel altijd een mening en die staat los van het feit of ik die dag wel of niet heb gescoord. Daardoor heb ik wel de naam een onruststoker te zijn. Ik zeg dat dat niet waar is. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik altijd heb doorgezet waarvoor ik stond. Dat is in het hockey ongewoon. En wat is een vedette, he? Er is in het voetbal ook een tijd geweest dat Ben Wijnstekers stond te tossen voor het Nederlands elftal. Ik bedoel maar. Ik vind Taco van den Honert speltechnisch gezien een vedette. En Bovelander. Maar die jongens hebben misschien de tijd nodig. Ik denk dat het voetbal met hetzelfde probleem kampt. Elke club had vroeger een plaatselijke vedette, Pahlplatz bij Twente, vader Koeman bij GVAV. Maar voor Troost of Van Loen ga je nu toch niet naar het stadion? Tegenwoordig herinner je van de clubs vaak alleen de kleuren. Die zijn hetzelfde gebleven.

Ben je er al uit wat je na je actieve loopbaan gaat doen? Is een bestuursfunctie niets wat voor je? Mijn ambities liggen dus niet in de bestuurlijke sfeer. Maar dat heeft Paul Litjens ook altijd geroepen en nu zit hij wel in het bondsbestuur. Ik ben trouwens niet iemand die denkt van 'daar heb je ze weer' als er bestuursleden aankomen of die gaat uitrekenen wat een vliegticket naar Lahore kost. Zo'n bestuurslid stopt toch ook gauw tien uur per week in het hockey, belangeloos. Het is tegenwoordig een modeverschijnsel om iedereen die in de sport een jasje aan heeft een profiteur te noemen. Vele sportmensen hebben er een handje naar om na een slechte prestatie naar het aantal officials te wijzen. Dat is onzin. Sport nu maar gewoon. Waar ik me wel aan kan ergeren is zo'n Dees (ex-staatssecretaris, red). Als die bij ons op de boot had gestaan zoals bij de voetballers had ik hem persoonlijk in het water gegooid. Dergelijke mensen die plotseling verschijnen als er iets goeds is gepresteerd betekenen de dood voor de sport. Zulke figuren heb je in je eigen omgeving natuurlijk ook. We hebben de afgelopen dagen wel 220 faxen in het hotel in Lahore gehad. Voor de halve finale maar een. Er is echt niets zo asociaal als het bedrijven van topsport. Het verschil tussen Nederland en Duitsland was in de halve finale van woensdag misschien een procent. Het verschil in beleving na afloop was 500 procent, desillusie tegenover waanzinnige vreugde.

Er gebeuren af en toe vreemde dingen in de sport.

Ik vind dat sporters gewoon moeten doen. Er was een periode dat elke Nederlandse schaatser voor een wedstrijd zijn koolhydraten zat te tellen. Maar Eric Heiden nam om elf uur een vette hamburger en een grote cola. Daarna reed hij wel iedereen naar huis. Dat bedoel ik er mee te zeggen. De tennissers van mijn club Kampong spelen ergens in de onderbond, maar als er iemand aan de rand van de baan hoest kunnen ze niet serveren. Kinderen die met zeven rackets op de baan stappen en hun ouders die huilen na een nederlaag. Daar moet ik om lachen. Vaak doen de grootste sporters nog het meest normaal.

Jij schuift de beslissing over het wel of niet beeindigen van je internationale carriere nog een paar maanden voor je uit. Heeft dat te maken met de aanstelling van Bianchi, jouw trainer bij Kampong, als bondscoach? Dat staat er los van. Ik krijg het straks druk met de huisartsenopleiding en ik heb met de Vrije Universiteit in Amsterdam afgesproken dat ik na het WK niet meer lastig zou zijn wat betreft het hockey. Dat is dus duidelijk. Maar er komt nu in het internationale hockey een stille periode. Daarom hoef ik nu nog niet te beslissen. Ik vind het natuurlijk leuk voor Bianchi dat hij de nieuwe man is geworden. Ik heb hem als mens en als coach hoog zitten. Net zoals Jorritsma stippelt hij in deze tijd van handjeklap en ellebogenwerk zijn eigen route uit. Maar ik vind het ook best wel snel dat iemand die pas anderhalf jaar in het mannenhockey actief is bondscoach wordt. Dat hij geen diploma's heeft zegt mij niets. Daar zeurt zo'n Obe Postma (bondscoach van Frankrijk, red) over. Het is toch een lachertje dat er in Nederland allerlei deskundigen zijn die bepalen of jij wel trainer of journalist mag zijn. Zo'n Van der Leck zit bij Feyenoord in de bosjes om te kijken of Bengtsson misschien een training geeft. Een goede coach is voor mij iemand die kennis van sport en van mensen heeft. Het doet me als Ajacied pijn om toe te geven dat Ernst Happel de absolute grootmeester op dat gebied was. Rob Bianchi heeft straks de steun van de spelers nodig. Iedereen die wordt aangesteld als opvolger van een succescoach als Jorritsma krijgt het moeilijk. Maar Bianchi wordt in ieder geval niet de Thijs Libregts van het hockey.