Debat privatisering laait in Italie weer op

ROME, 24 febr. - Hoe lang moet de staat nog wegrestaurants exploiteren, voor bankier spelen, kranten uitgeven, melk produceren en tomaten telen? In Italie is de discussie over privatisering opnieuw opgelaaid na beschuldigingen dat de regerende christen-democraten en socialisten plannen voor privatisering tegenhouden. Zij zouden willen vasthouden aan hun macht over de staatsbedrijven.

Terwijl Oost-Europa aarzelend het primaat van de markt belijdt, is in Italie steeds vaker te horen dat 'publiek' in veel gevallen beter is. Franco Nobili, de nieuwe president van de staatsholding IRI, hield vorige week op zijn eerste persconferentie een lange preek tegen verkoop van staatsbedrijven aan de particuliere sector.

Wij moeten er als staat voor waken dat er geen goede bedrijven worden ontmanteld, we moeten de werkgelegenheid in het oog houden, zei Nobili. Hij wees bovendien op het gevaar dat extra-communautaire bedrijven (lees: Japan) zich proberen meester te maken van geprivatiseerde ondernemingen.

Het klonk de vele toehoorders in de propvolle zaal aan de Via Veneto wat vreemd in de oren. Was 'publiek' in de Italiaanse praktijk niet een verzamelterm geworden voor alles wat duidt op inefficientie, verspilling, ongevoeligheid en soms regelrechte minachting voor de wensen van de burgers - die in de termen van de staatsbedrijven geen 'klanten' zijn, maar 'gebruikers'? Toch kwamen de woorden van Nobili niet als een verrassing. De nieuwe president van de machtige staatsholding is vorig jaar najaar benoemd omdat hij niet alleen een manager is die zijn sporen heeft verdiend in de particuliere sector, maar ook behoort tot de politieke stroming van de christen-democratische premier Giulio Andreotti. En Andreotti heeft gezegd dat hij ervoor wil waken dat een paar machtige ondernemers heel Italie gaan besturen. En bovendien is hij een politicus die tot in zijn vingertoppen de kunst beheerst om, pratend over het 'primaat van de politiek', staatsbedrijven te gebruiken als stukken in zijn eigen politieke schaakspel.

Een andere paladijn van Andreotti, minister van begroting Paolo Cirino Pomicino, maakte eerder deze maand duidelijk hoe sommige politici tegen staatsbedrijven aankijken. De minister is een fanatieke fan van de voetbalclub Napoli en wilde graag de wedstrijd Milan-Napoli zien, de strijd om de eerste plaats. Hij kon niet naar Milaan, maar bedacht dat in de studio's van de RAI de tv-beelden voor de later uit te zenden samenvatting live binnenkwamen. Toen toog hij met een groep vrienden naar de RAI en verschafte zich daar toegang onder het motto: de RAI is een publieke omroep. Een gewone Napolitaan had het niet moeten wagen.

Van vele kanten, varierend van de werkgeversorganisatie Confindustria tot de links-leunende krant La Repubblica, wordt opgemerkt dat de regerende politici voor zichzelf en voor hun partij goede zaken willen doen met de staatsbedrijven. Na een periode van een aantal jaren waarin de politiek de greep op de staatsbedrijven wat had verslapt, is Andreotti met steun van de socialistische leider Bettino Craxi nu bezig aan een 'restauratie'. Toen Andreotti vorig jaar aantrad als premier was 'privatisering' een centraal begrip in zijn toespraken. Maar al snel raakte het woord in de vergetelheid. Voor wie nog aan de ommezwaai twijfelde, kwam het definitieve signaal eerder deze maand, toen Andreotti een melkfabriek opende. 'En dan te bedenken dat we dit allemaal hadden willen verkopen aan de particuliere sector', zei hij.

Minister van schatkist Guido Carli interpreteerde deze uitspraak als een rood licht voor de privatiseringsplannen, en sloeg direct alarm. Als we onze voornemens voor privatisering laten varen, zei hij, wordt het nog moeilijker om het overheidstekort terug te brengen.

De kans bestaat dat de Italiaanse regering tot de conclusie komt dat zij niet om de argumentatie van Carli heen kan. Maar Nobili gaf al aan dat men een geheel eigen uitleg kan geven aan privatisering. De bedrijven van de IRI zijn eigenlijk al geprivatiseerd, want ze hebben samen 436.000 aandeelhouders, zei Nobili. Hij legde privatisering uit als 'een akkoord bereiken met het prive-kapitaal, dat het mogelijk maakt voor de betrokken bedrijven een toekomst met goede concurrentiemogelijkheden te schetsen'.

Maar hij: 'Het is belangrijk niet de meerderheidscontrole over het bedrijf te verliezen.' Met andere woorden: de spaarders mogen de staatsbedrijven met hun lires uit de brand helpen, maar ze krijgen geen wezenlijke zeggenschap over het beleid. Voor veel particuliere bedrijven een normale gang van zaken. Maar wegens de notoire inefficientie van veel staatsbedrijven twijfelen economen en financieel deskundigen eraan of de IRI voor een dergelijke vorm van 'privatisering' veel interesse zal weten te wekken op de beurs.

Een principiele discussie over de vraag welke zaken de staat voor zijn rekening moet nemen en welke beter kunnen toevallen aan de particuliere sector, wordt niet gevoerd in Italie. Als de liberale partijsecretaris Renato Altissimo aan de minister van staatsdeelnemingen vraagt wat voor zin het heeft als de staat een gewone krant uitgeeft (Il Giornale, eigendom van de staatsholding Eni) en waarom het staatsmonopolie op de verkoop van tabak gehandhaafd blijft, is het antwoord weinig meer dan een schouderophalen.

Slechts incidenteel wordt het falen van de publieke sector als zo nijpend ervaren dat het particuliere bedrijfsleven te hulp wordt geroepen. Een recent voorbeeld is de espresse-post, die er vaak even lang over deed als gewone post. Hiervoor zullen nu particuliere koeriersdiensten worden ingeschakeld - en de staat is ook nog goedkoper uit.

Maar dit is een uitzondering. Plannen om van de spoorwegen een NV te maken stuiten op fel verzet, ook al zou de staat de meerderheid van de aandelen behouden. Het voorstel om een groot aantal banken te privatiseren is in de ijskast gezet. En financiele kringen verwachten juist dat de regering de komende maanden de grip op twee grote banken als de Credito Italiano en de Banca Commerciale Italiana zal verstevigen. Plannen om delen van de gezondheidszorg te privatiseren liggen ergens in een la te vergelen.

Het meest actuele privatiseringsdrama speelt in de chemie. Vorig jaar is het bedrijf Enimont opgericht, een joint venture tussen de staatsholding Eni en Montedison, onderdeel van de Ferruzzi-groep van Raul Gardini. Beide partners kregen veertig procent van de aandelen, terwijl twintig procent op de markt werd geplaatst. Wie ervan uitging dat hiermee Enimont in feite een particulier bedrijf was geworden, met een minderheidsbelang van de overheid, kwam bedrogen uit. Al vrijwel direct bleken er meningsverschillen over de strategie te zijn, terug te voeren op de verschillen in inzichten tussen de overheid en het bedrijfsleven over de bedrijfsvoering. Daarna blokkeerde de staatsholding Eni in opdracht van premier Andreotti plannen om de raad van bestuur uit te breiden om ook de twintig procent van de markt vertegenwoordigd te laten zijn.

Het is een gecompliceerd politiek gevecht geworden tussen de machtigste politicus van het land, Andreotti, en de op een na machtigste ondernemer, Gardini. Gardini heeft donderdag een nieuwe aanval ingezet met de bekendmaking dat vrienden van hem 10,2 procent van de aandelen Enimont hebben, zodat hij op een absolute meerderheid kan rekenen. Een aandeelhoudersvergadering volgende week moet de voorlopige winnaar aanwijzen. Maar duidelijk is dat Andreotti niet zonder slag of stoot akkoord zal gaan met de daadwerkelijke privatisering van Enimont.

    • Marc Leijendekker