Combinatie Renault en Volvo tast zelfstandigheid niet aan

AMSTERDAM, 24 febr. - Het netwerk van wederzijdse aandelenparticipaties dat moet leiden tot een vergaande samenwerking tussen Volvo en Renault zal de autonomie van beide concerns onaangetast laten.

Dat beklemtoonden Raymond Levy, president-directeur van Renault, en Pehr Gyllenhammar, eerste man van Ab Volvo, gisteren op een internationale persconferentie in Amsterdam.

Met de diverse aandelentransacties is in totaal een bedrag gemoeid van 27 miljard franc, circa 9 miljard gulden.

Beide ondernemingen houden hun eigen hoofdkantoor, blijven hun eigen auto's produceren en houden hun eigen dealernet in stand. Maar ze zullen wel de krachten bundelen bij produktontwikkeling en inkoop, wat moet leiden tot hogere produktiviteit en lagere kosten. Ook zullen ze hun investeringsplannen op elkaar afstemmen. Samen maken ze jaarlijks ongeveer 2,4 miljoen personenwagens per jaar en 140.000 bedrijfswagens. Gyllenhammar noemde de 'verfijnde' cooperatievorm die de beide concerns hebben gekozen 'zeer opwindend', omdat ze de voordelen van zelfstandigheid en samenwerking combineert.

In de nieuwe moedermaatschappij die het Franse concern gaat oprichten, krijgt AB Volvo een belang van 20 procent met een optie op nog eens 5 procent. Renault koopt op de beurs 10 procent van de aandelen van het Zweedse moederbedrijf.

Daarnaast nemen Volvo (omzet 31,7 miljard gulden) en Renault (omzet 53,8 miljard gulden) ieder een belang van 45 procent in elkaars bedrijfswagendivisie.

Ook krijgt Renault een belang van 25 procent in de personenwagen-groep van Volvo. Daarmee wordt het Franse concern indirect ook voor 7,5 procent mede-eigenaar van het Nederlandse Volvo Car. In het Nederlandse automobielbedrijf heeft de Zweedse personenwagen-divisie namelijk een aandeel van 30 procent. De resterende 70 procent zijn in het bezit van de Nederlandse staat.

Voor de deelnemingen in Renault betaalt AB Volvo in totaal 23 miljard franc, circa 7,7 miljard gulden. Daar staat tegenover dat Renault voor de participaties in de bedrijfswagen- en personenwagen-divisies van het Zweedse moederbedrijf circa 11 miljard franc neertelt. Daar komt naar schatting nog eens zo'n 4 miljard franc bij wanneer Renault op de beurs een belang van 10 procent in AB Volvo koopt.

Drie commissies moeten voor de concretisering van de samenwerking zorgen: een voor de personenwagen-sector, een voor de bedrijfswagendivisie en een die zich zal bezig houden met het gezamenlijk strategische beleid. Alle drie commissies zullen worden geleid door een vertegenwoordiger van Volvo en van Renault, wat moet illustreren dat beide partners volledig gelijkwaardig zijn.

A. Deleye, president-directeur van het Nederlandse Volvo Car, toonde zich bijzonder ingenomen met de samenwerking tussen Renault en het Zweedse moederbedrijf. Hij wees erop dat Volvo Car al sinds 1983 samenwerkt met Renault. 'De cirkel is nu rond', zei Deleye. Daardoor is volgens hem het gevaar geweken dat Volvo Car als kleinste van de drie partners in de verdrukking zou komen. Volvo Car betrok al motoren van Renault. Deleye verwacht dat die samenwerking nu kan worden uitgebreid tot andere onderdelen zoals 'ophanging' en transmissies.

Het Franse autoconcern Renault zal door de aandelenruil met het Zweedse autoconcern Volvo zal niet langer een staatsbedrijf zijn.

De Franse premier Michel Rocard heeft echter gisteren iedere suggestie van de hand gewezen dat aandelen Renault aan het publiek zullen worden verkocht. Een andere regeringsfunctionaris verklaarde dat er aan het beleid van president Mitterrand om 'niet te privatiseren noch te nationaliseren' niets is veranderd.

In de verkiezingsstrijd van 1988 beloofde president Francois Mitterrand in een 'brief aan alle Fransen', dat de staatsbedrijven niet verkocht zouden worden en dat er geen bedrijven genationaliseerd zouden worden. Deze verkiezingsbelofte staat in Frankrijk te boek als de 'noch-noch-politiek'. 'Noch-noch' leek een soepel compromis tussen de nationalisatiezucht van de socialistische achterban en de modernisering van het Franse bedrijfsleven. Maar de socialisten verkeken zich op de kracht van het Franse bedrijfsleven en de eisen van een vergrote Europese markt.