Centraal trace Westerschelde heeft voorkeur

MIDDELBURG, 24 febr. - Een vaste oeververbinding over en/of onder de Westerschelde die ten westen van Terneuzen en Ellewoutsdijk uitkomt, draagt het meest bij aan verdere sociaal-economische ontwikkeling van de provincie Zeeland. Dit blijkt uit de tracenota en milieu-effectrapportage die het provinciebestuur gisteren heeft gepresenteerd.

De publikatie van de voor- en nadelen van de drie nog overgebleven traces komt drie dagen na het bekend worden van een akkoord tussen Zeeland en minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) over de jaarlijks rijksbijdrage aan het project. Die bijdrage is bepaald op 41,1 miljoen gulden.

Het traject ten oosten van Ellewoutsdijk en Terneuzen volgt als tweede in de rangorde van sociaal-economisch belang, maar richt meer schade aan op het gebied van milieu, natuur, landschap, en landbouw.

Provinciale Staten hechten veel waarde aan de mate waarin de brug-tunnel of tunnel bijdraagt aan de ontwikkeling van de provincie. Eventuele negatieve gevolgen voor het milieu moeten, weliswaar zo beperkt mogelijk, op de koop toe worden genomen. Vanuit dit standpunt geredeneerd lijkt een definitieve keuze voor het trace ten westen van Ellewoutsdijk en Terneuzen het meest voor de hand te liggen. Gedeputeerde mr. J. A. De Boe erkende gisteren dat deze redenering logisch is, maar hij wilde niet zo ver gaan al een voorkeur voor een trace uit te spreken. Een vaste oeververbinding tussen Kruiningen en Perkpolder, waar nu een van de twee Westerscheldeveren vaart, draagt volgens De Boe nauwelijks bij aan de economische ontwikkeling.

Naar verwachting maakt het dagelijks bestuur van de provincie in het najaar van 1990 zijn definitieve tracekeuze bekend. De zaak kan dan voor het eind van dit jaar in de Provinciale Staten worden behandeld.