Vincent

Onze poes genaamd Vin Heeft zo'n mannelijke kin En toch is zijn oogopslag vrouwelijk.

Dat krijgshaftige dier, Zijn postuur is zo fier, Maar zijn buik is intiem en vertrouwelijk.

Zijn gezicht is behaard (dat gaat door tot de staart): Het maakt zijn verschijning soms ouwelijk.

Zijn tweekleurige vacht Houdt hem warm dag en nacht, Maar hij blijft in de ochtend wat kouwelijk.

Tussen zijn sneeuwwitte voorpoten Zit aan elke kant een kruin Als een draaikolk in een tuin.

Van achteren heeft hij hazepoten, En aan elke hazepoot Zit een zool van krentebrood.

Nauwelijks veertien jaar tevoren Werd hij in Puteaux geboren.

Maar sinds kort woont hij in Leiden.

Zijn blik is meestal hartelijk, Maar zijn mond is soms wat smartelijk: Hij werd vroeg van zijn moeder gescheiden.

Soms zijn er geuren in de lucht Die hem herinneren aan zijn moeder En dan spint hij nog verwoeder:

Hij ziet, zacht verlicht, Dat lieve poezegezicht; En dan sluit hij zijn ogen en zucht.

Zo is Vincent de kater; Hij gaat nooit in het water.

(Zo is Vincent de kat Hij gaat nooit in het bad.

Zo is Vincent het poesjen Hij gaat nooit zich eens douchen).

Liefst in combinatie, voor het zwaardere werk, met een Traction 15CV 6-cyl. links- of rechtsdraaiend, dus van kort vóór of kort na de oorlog; eventueel mag het ook een DS zijn, liefst eentje met meedraaiende koplampen.

    • Rudy Kousbroek