Verkleedpartijen in de open lucht; Expositie van Europese

Het landschap in Europa in de 16de tot en met 18de eeuw wordt aangeprezen als een tentoonstelling om niet te missen: 'Geheime edelstenen van de landschapskunst', 'Tekeningen in Louvre werpen nieuw licht op vele kunstenaars', 'Niemand die in de buurt van Parijs komt mag deze expositie van Europese landschapstekeningen missen. Nadat zij op 23 april haar deuren zal sluiten zullen de kwetsbare werken, die geen langdurige blootstelling aan het daglicht kunnen verdragen, weer in hun veilige duisternis verdwijnen voor de volgende 20 jaar' (Souren Melikian in de International Herald Tribune). Allemaal overtuigende redenen om deze tentoonstelling niet te missen. Maar er komt wat mij betreft nog iets bij, en dat is een zeker zwak voor tentoonstellingen die zijn samengesteld uit een groot bezit - zoals hier uit de verzameling tekeningen van het Prentenkabinet van het Louvre - door er een of ander ordenend beginsel voor te verzinnen, in dit geval dus 'het landschap'. Een amusante en leerzame bezigheid is door zo'n tentoonstelling te dwalen, proberend een ander beginsel te vinden en te zien welke werken dan mogen blijven hangen en welke onherroepelijk moeten worden verwijderd. De kunst is dat er zo weinig mogelijk weghoeft: een criterium verzinnen waaraan niets van het tentoongestelde voldoet, daar is uiteraard geen aardigheid aan; hetzelfde geldt voor een principe waar zowat alles in kan worden ondergebracht (ik denk bv. aan: 'Le beau ideal ou l'art du concept', zoals de vorige tentoonstelling van het Prentenkabinet heette). De meeste bevrediging schenkt een selectiecriterium zo tegengesteld mogelijk aan het oude, terwijl er toch bijna niets aan de tentoonstelling hoeft te worden veranderd.

Zo zou op deze tentoonstelling het woord 'landschappen' kunnen worden vervangen door 'stadsgezichten', terwijl dan toch meer dan de helft (schat ik) van de tentoongestelde tekeningen zou kunnen blijven hangen.

Criteria waar je ook een heel eind mee komt zijn: 'het boerenbedrijf', 'cultuur/natuur', 'heilig/profaan', 'ruines', 'antieke droombeelden', 'vergane grootheid', 'decadentie', 'reizen', 'jachtscenes', 'eenzaamheid', of zelfs 'verkleedpartijen in de open lucht'. Aan de andere kant is die verwisselbaarheid niet zo verwonderlijk; wanneer men zich verdiept in wat wij eigenlijk onder landschapskunst verstaan blijken al de genoemde begrippen er een rol in te spelen. Een contradictie als 'stadslandschap' is niet a priori absurd.

Uitvinding

Het intrigerende is dat een genre als 'landschap' voor een bepaalde datum eenvoudig niet bestond. Zulke genres zijn in zekere zin ontdekkingen of uitvindingen, zoals in de wiskunde. Een van de boeiendste voorbeelden is de ontdekking van het perspectief en de omwenteling die erdoor werd ontketend in de beeldende kunst. Eeuwenlang had de kunst zich uitstekend kunnen redden zonder dit principe. Het werd niet gemist. Toen werd het ontdekt (of herontdekt) en het greep om zich heen als de mazelen op een kinderslaapzaal. Goedbeschouwd is dat heel intrigerend: men kon opeens niet meer zonder.

Het ontstaan van 'het landschap' als genre is minder extreem maar tot op zekere hoogte analoog. Aan het eind van de middeleeuwen groeide met de belangstelling voor perspectief ook de aandacht voor de werkelijkheid, voor de weergave van 'wat je ziet', en daarmee van het landschap. 'In de middeleeuwen dient het landschap op een nogal algemene manier als omlijsting voor een religieus, historisch of dagelijks tafereel. Dit begrip van landschappelijke omlijsting ontwikkelt zich in de XVIe eeuw... '

aldus de inleiding tot de tentoonstelling. 'Tegelijkertijd begint het landschap, als onderwerp op zichzelf, zich te ontwikkelen.' Een voor de hand liggende vraag is: waarom schilderen wat je zo makkelijk in werkelijkheid kunt gaan bekijken? De ongerepte natuur is of was, zeker in voorbije eeuwen, nooit ver weg. Het eenvoudigste antwoord is dat er ook toen al voldoende verstedelijking was om het landschap te missen en in huis te willen halen. Niet toevallig dat landschappen een zo belangrijke plaats hadden in de schilderkunst van de Republiek: de lage landen waren in de 17de eeuw al de meest verstedelijkte gebieden van Europa, met de hoogste bevolkingsdichtheid.

Maar er is in de beeldende kunst met het landschap wel meer aan de hand. Wat in de 16de eeuw nog een grote rol speelde (en de belangstelling voor de natuur misschien eerder verzwakte) was de gedachte dat een landschap de weerspiegeling was van een geestesgesteldheid. Voor Breugel was een landschap gelijk aan meditatie, zoals nog voor Ruisdael een boom een allegorie was van het leven.

Inderdaad een ontwikkeling van heilig naar profaan, en het zoveelste voorbeeld, in mijn ogen, van de manier waarop kunst dan in de plaats komt van geloof. Een merkwaardige etappe in deze ontwikkeling is een gekleurde tekening van Le Lorrain uit 1672, 'De worsteling van Jacob met de Engel', waar het gegeven al niet veel meer dan een voorwendsel is voor het weergeven van een landschap: er wordt wel wat geworsteld door Jacob en zijn engel, maar op een bescheiden schaal vergeleken bij die van de omgeving: de kennelijke hoofdzaak en aanzet tot de tekening.

Eik

Het is moeilijk de zuivere landschapskunst niet te zien als het logische eindstadium van deze ontwikkeling. Een voorbeeld daarvan, en tevens een van de meest indrukwekkende aquarellen op de tentoonstelling, is 'De eik' van Jacob van Ruisdael, waar misschien in zwart-wit reproductie niet veel van over zal blijven. De catalogus bevat een mooie kleurenreproductie, maar ook die geeft eigenlijk nog geen duidelijk idee van wat er aan het origineel zo prachtig is. Het is een aquarel van eikebosjes in een glooiend en verder leeg landschap, met een sfeer zo aandachtig en eigenlijk zo wonderlijk dat zelfs een verstokte materialist als ik de neiging heeft zijn toevlucht te nemen tot woorden als 'onzichtbaar'. Als zoiets nu 'de worsteling met de engel' zou heten zou ik er nauwelijks van opkijken. 'Het meesterschap over de ruimte is oogverblindend', schrijft de catalogus en het is niet overdreven, om dan als volgt verder te gaan: 'Men vindt bij Ruisdael een soort mystiek van de natuur. Deze zou overeen kunnen stemmen met de verheerlijking van een donkere scheppingskracht die, naar de uitspraak van Goethe, 'convergeert naar de zuivere rede'.'

Het zal wel waar zijn; in elk geval is het een van de prachtigste aquarellen die ik ooit heb gezien.

Want, ik herinner er nog eens aan, deze tentoonstelling bestaat uitsluitend uit tekeningen, al of niet ingekleurd met inkt of waterverf. Wat zijn tekeningen en aquarellen toch prachtig en hoe mallotig is het toch dat zij worden beschouwd als inferieur aan (olieverf)schilderkunst. Op een tentoonstelling als deze blijkt weer hoe onbekend de namen van tekenaars uit voorbije eeuwen feitelijk zijn. Een opsomming is ondoenlijk, en zonder bijbehorende illustraties ook zinloos, maar een voorbeeld is de naam Jacob Cats. Vraag aan tien ontwikkelde mensen wie dat was: ik maak me sterk dat niet een van hen zou antwoorden: 'Nederlandse kunstenaar, 1741-1799, algemeen beschouwd als de grootste Hollandse landschapsschilder van de 18de eeuw, ' hetgeen een letterlijk citaat is uit de aan hem gewijde tekst in de catalogus. De grootste Hollandse landschapsschilder, jawel, maar hij schilderde met waterverf. In de Nederlandse naslagwerken die ik er op nasloeg wordt hij niet eens vermeld.

Wat ook opvalt is dat van de landschapstekenaars en -aquarellisten op deze tentoonstelling het leeuwendeel uit de lage landen komt. En dat in de zestiende en zeventiende eeuw velen van hen hun wieg in Zuid-Nederland hadden en hun graf in Noord-Nederland. Ach, hadden de Nederlanders toen, net als de Oost- en Westduitsers nu, maar tijdig aangedrongen op hun hereniging. Het landschap in Europa in de 16e tot en met 18e eeuw (Louvre, tot 23 April)

Liefst in combinatie, voor het zwaardere werk, met een Traction 15CV 6-cyl. links- of rechtsdraaiend, dus van kort vóór of kort na de oorlog; eventueel mag het ook een DS zijn, liefst eentje met meedraaiende koplampen.