Picasso is voor Luik verloren

Waarom wil de gemeente Luik het schilderij La Famille Soler van Picasso verkopen? Lien Heyting reisde naar de Belgische stad en kwam tot de ontdekking dat de meeste musea zijn gesloten. 'Deze stad is failliet! Voor alle Luikse musea zijn nog maar enkele suppoosten in dienst, de rest is ontslagen.' Het bericht stond vorige week donderdag in de krant: 'De financieel zwaar berooide Belgische stad Luik overweegt het schilderij La Famille Soler van Picasso te verkopen. Met de rente van de op tachtig miljoen gulden geschatte opbrengst wil de stad culturele activiteiten betalen waarvoor nu geen geld is'.

Echt nieuws was het niet. Vorig najaar schreven de kranten over de onrust in Luik: de stad had een schuld van anderhalf miljard gulden, de ambtenaren waren in staking gegaan omdat ze hun salaris niet meer uitbetaald kregen. Het gemeentepersoneel moest ingekrompen worden en voor 1100 ambtenaren dreigde ontslag. In een van de berichten werd ook vermeld dat de Luikse cultuurwethouder 'een aantal waardevolle schilderijen' wilde verkopen. Tegen dat voorstel werd toen door 9400 Luikenaren, die een petitie ondertekenden, geprotesteerd. Kennelijk had men het verkoopplan nu teruggebracht tot het duurste schilderij: dat van Picasso.

Zaterdagochtend ging ik naar Luik om het schilderij te zien en ook de stad, waar ik nog nooit geweest was. Ik ging met de trein, via Maastricht. Toen we Luik binnenreden, zag ik op een morsig verffabriekje een groot opschrift, waar ik later op de dag vaak aan terug zou denken: 'Tout pour la peinture'. In de trein had ik in een gidsje over de Belgische Ardennen (uit 1985) al iets gelezen over Luik en de bezienswaardigeheden van deze 'Ville de Fer' waar ijzer en kolen vanaf de veertiende eeuw welvaart brachten. 'Luik is niet alleen een centrum voor verkeer en industrie, maar ook een bloeiend centrum voor de kunst. ' Ik telde in het gidsje vijf bezienswaardige kerken en een stuk of tien grote musea waaronder het Musee d'Art Moderne. Daar moest de Picasso hangen.

Bij het station neem ik een taxi. De chauffeur kijkt me wantrouwend aan: Het Musee d'Art Moderne? Nee, daar heeft hij nooit van gehoord. Ik laat hem de plattegrond in het gidsje zien: daar, in een park aan de overkant van de Maas, staat het museum. Even later rijden we rondjes om een groot, vervallen gebouw. Alle rolluiken zijn neergelaten, nergens is een bordje met openingstijden. 'Het is dicht, ' zegt de chauffeur.

We rijden naar het centrum. Luik lijkt geen stad waar men zich druk maakt over 'ruimtelijke ordening': wat ik zie is ruimtelijke wanorde. Hoog-, laag-, oud- en nieuwbouw, renaissance, barok, jugendstil en grijs beton, alles staat hier door elkaar. Ik word afgezet voor het 'Echevinat de la Culture des Musees et du Tourisme'. Op de deur hangt een papier: 'Nos bureaux sont exceptionellement fermees ce week-end.' Gelukkig ligt het toeristenbureau vlakbij het Museed'Art Wallon en ik besluit om daar dan maar te gaan kijken. Het museum is een grijze bunker uit de jaren zestig met een glazen onderkant. Het boven een parkeergarage gebouwde plein dat ervoor ligt, is uitgestorven, maar volgens een bordje is het museum alle dagen geopend. Bij de ingang staat een pijl: ik moet de hoek om. Maar daar, om de hoek, is de deur dicht. Binnen is het donker en er is geen mens te bekennen. Zou het een feestdag zijn? Carnaval misschien? Ik ga naar het restaurant, beneden aan de straat. Terwijl ik met de ober over het museum praat ('Ja, dat is tegenwoordig wel vaker gesloten') komt er een man met een dikke aktentas bij staan. 'Luik', zegt hij, 'heeft geen geld meer om de musea te betalen. Een groot deel van het personeel is ontslagen en daarom zijn veel musea gesloten, in elk geval in de weekeinden. Maar waarom gaat u niet naar het Wapenmuseum? Dat is vandaag geopend en dat is erg interessant.' Ik zeg dat ik naar het Museum voor Moderne Kunst wilde. Hij lacht. 'Dat is al een hele tijd dicht, het is de vraag of het ooit weer open gaat. Er is een plan om alle Luikse musea te reorganiseren.'

Ik begin over de Picasso en hij vertelt dat dit schilderij meestal uitgeleend is voor exposities: 'In Luik was het bijna nooit te zien.'

Wat vindt hij van de Picasso-verkoop? Hij trekt zijn schouders op: 'De gemeente heeft geen keus.'

Dan wijst hij me de weg naar een boekhandel die ook kunstboeken verkoopt. Misschien dat men daar een catalogus heeft van het Musee d'Art Moderne.

Kleermaker

De boekhandel, in de Rue St. Paul, een winkelsteegje bij de St. Paulkathedraal, blijkt een antiquariaat. Hier vind ik inderdaad een oude catalogus met een foto van La Famille Soler. Picasso schilderde het doek in 1903, in Barcelona. Soler was een bevriende kleermaker die in ruil voor schilderijen pakken naaide voor Picasso. Op het schilderij zit hij met zijn vrouw, vier kleine kinderen en een hond te picknicken in het gras. Op het picknicklaken ligt een dode haas, ernaast in het gras liggen een geweer en een weitas. Op de achtergrond liet Picasso door een vriend struikgewas en bomen schilderen. Toen hij het doek tien jaar later, in 1913, terug zag bij de Parijse kunsthandelaar Kahnweiler, beviel die achtergrond hem niet. Picasso bedekte de struiken en bomen met kubistische patronen, maar ook daar was hij niet tevreden over en uiteindelijk maakte hij er een egale, zeegroene achtergrond van, waardoor de figuren op de voorgrond meer nadruk kregen. De gemeente Luik kocht het schilderij in 1939 voor bijna tweeduizend gulden van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen waar het, als 'entartete Kunst', niet meer geexposeerd kon worden.

Als ik de antiquaar vraag waarom het Museum voor Moderne Kunst gesloten is, heft hij zijn armen met een wanhopig gebaar in de lucht: 'Mais c'est une ruine! Deze stad is failliet! Voor alle Luikse musea zijn nog maar twee suppoosten in dienst, de rest is ontslagen.' Ik loop terug naar het grote plein in het midden van de stad, het Place St. Lambert met het zestiende-eeuwse Prinsbisschoppelijk paleis. Van hier uit is de oude stad, die aan verschillende kanten tegen de heuvels is gebouwd, goed te zien: de koepels en kerktorens, de mooie barokke huizen maar ook de reclameborden die afbraak aan het oog onttrekken.

Vlakbij het plein, in een klooster van de Minderbroeders uit de zeventiende eeuw, is het Musee de la Vie Wallonie gevestigd. Net als het Prinsbisschoppelijk paleis heeft het gebouw een grote binnenplaats, omringd door een zuilengalerij. Dit museum lijkt in elk geval geopend. Maar ik ben te optimistisch: verder dan het museumwinkeltje, vol folkloristische handarbeid, kom ik niet. Op de toonbank staat een bordje: 'Par suite du manque de gardes, les salles publiques du musee sont bien a regret fermees au public.' 'Het is vreselijk', zegt de dame bij de kassa. 'De hele dag sta ik hier in dit dichte museum en moet ik de mensen wegsturen. Bij het Bureau du Tourisme sluiten ze in de weekends nu ook al de deuren. Wat moeten ze de toeristen vertellen? Dat alles hier gesloten is? Dat Luik te arm is voor de kunst?'

Ze vertelt dat sinds januari om de beurt een paar van de twaalf musea open zijn. De collectie van het Musee d'Art Moderne zal waarschijnlijk worden overgebracht naar het Musee d'Art Wallon. De Picasso mogen ze van haar wel verkopen: als het schilderij niet op reis is, staat het toch maar ingepakt in het depot. 'Op 19 maart neemt de gemeenteraad een beslissing en dan horen we hoe het verder moet.' Naast het Musee de la Vie Wallonie staat het Museum voor Godsdienstige en Maaslandse kunst. De deur is open, maar binnen is het schemerdonker zodat de kindertekeningen van Jozef en Maria die aan de muur naast de kassa hangen, zich nauwelijks laten bekijken. 'Wij doen dit werk vrijwillig', zegt de vrouw bij de balie terwijl ze me een boekje over de Luikse musea verkoopt. 'Wij hoeven vandaag niet te sluiten.' Ik ga weer naar buiten.

Langs antiek- en curiosawinkels (de stad is er vol van) loop ik naar het St. Barthelemyplein. De romaanse kerk uit de twaalfde eeuw is vuil en zwart als het gezicht van een kolensjouwer. Op het plein klinkt een blafconcert, in de pauzes heerst een onsteedse stilte. Ik ben nu vlakbij het Musee d'Armes en het Musee Curtius. Het Wapenmuseum (alleen de benedenzaal is open) laat ik links liggen. Het Curtiusmuseum voor Archeologie en Sierkunsten is ondergebracht in een indrukwekkend herenhuis uit 1610 aan de oever van de Maas. Het eerste wat ik bij binnenkomst zie, is een bordje aan een voor de trap gespannen touwtje: Fermee. Ook hier is alleen de benedenverdieping te bezichtigen en het lijkt wel alsof alle Luikse museumgangers zich vandaag in deze ruimte hebben verzameld. Tussen de vitrines met oude kruiken, loden potten, urnen en glasscherven is het een flink gedrang. Naast de kast met 'Mobilier funerair Belgo-Romain' zie ik een suppoost staan, de eerste op deze museumtocht. Naast haar ligt op een antieke kist een bulletin van het Institut Archeologique Liegeois, een gemeentelijke instelling die aan verschillende oudheidkundige musea gelieerd is. Bovenaan het papier staat: 'Op de drempel van 1990' en daaronder: 'De deplorabele financiele situatie van deze stad is een bron van vele ernstige zorgen. - De sterke inkrimping van het aantal personeelsleden maakt de openstelling van de musea voor het publiek onzeker. In 1990 zal nog meer museumpersoneel worden ontslagen. - Hoe kunnen we de musea onder deze omstandigheden beheren?' Het instituut ziet geen oplossing en eindigt met de verzuchting: 'Kunnen we stellen dat het jaar 1990 zich aandient onder slechte voortekenen?' Picasso lijkt voor Luik verloren. Het is laat in de middag, ik ga weer terug naar de trein.

Trots

Is de Picasso-verkoop in de Luikse en de grote Belgische kranten een onderwerp van hevige discussie? Op de terugweg neem ik de kranten door die ik in Luik kocht: La Meuse, La Gazette de Liege, La Wallonie, Het Nieuwsblad, De Standaard. In de hele stapel wordt er geen woord aan gewijd. Ik lees ook het boekje over de Luikse musea. De Schepen van Musea, Cultuur en Toerisme schreef er in 1986 een inleiding in: 'Telkens als u een Luikenaar vraagt om zijn stad te beschrijven, zult u de lof horen bezingen van het Prinsbisdom. Hoe zou dan de Schepen van de Cultuur aan een chauvinistisch gevoel ontsnappen, hij die het patrimonium van de Luikse musea ter gelegenheid van deze inleiding wil loven?' Trots somt hij de Luikse kunstschatten op, die stuk voor stuk bevestigen 'dat onze moeilijke ligging, op het kruispunt van de Latijnse en Germaanse Culturen, ons erfgoed verrijkt heeft, zonder zijn eigenaardigheid te beinvloeden.'Onrust heerst over onze wankele tijden.' Daarom, zo schrijft de Schepen, moeten wij zoeken naar vaste waarden en moeten de musea er in slagen 'de getuige van het verleden, de spiegel van heden en de ontwikkelaar van de toekomst te zijn.'Bij de beschrijving van het Musee d'Art Moderne ('Het grote gebouw in Lodewijk XIV-stijl, dat voor de Universele Tentoonstelling van 1905 gebouwd werd, herbergt sinds 1981 het Museum met zijn 2000 werken') wordt het pronkstuk, het doek van Picasso, apart vermeld: 'Het beroemde schilderij van de blauwe periode trekt de aandacht'. Ik denk aan de Hilversumse Mondriaanaffaire die drie jaar geleden speelde: de plaatselijke cultuurwethouder wilde het doek Compositie met twee lijnen (1931) dat sinds jaren aan het Amsterdamse Stedelijk Museum was uitgeleend, 'aan de hoogste bieder' verkopen. Met de opbrengst zou de gemeente de restauratie van het door architect Duiker ontworpen Gooiland-complex kunnen betalen. Het voorstel werd allerwegen 'met verbijstering ontvangen', zoals het in een hoofdartikel in deze krant heette. Maar de verkoop ging door, niet aan de hoogste (en ongetwijfeld buitenlandse) bieder, maar aan het Stedelijk Museum, voor twee en een half miljoen gulden.

Er is nog een ander vergelijkbaar plan tot kunstverkoop. De directeur van het Haags Gemeentemuseum, Rudi Fuchs, vroeg de gemeenteraad vorig jaar om een verhoging van zijn aankoopbudget met twee miljoen gulden. Komt die verhoging er niet, dan wil hij overgaan tot een 'eenmalige verkoop' van twee Picasso-schilderijen. Met de rente van de opbrengst kan hij nieuwe aankopen financieren. Fuchs: 'Ik wil het natuurlijk liever niet, maar ik wil dat het museum over voldoende middelen beschikt. Als er geen andere oplossing is dan het verkopen van de twee Picasso's, dan moet dat gebeuren. De gemeenteraad van Den Haag heeft de beslissing hierover uitgesteld tot na de verkiezingen.' In het eerder genoemde hoofdartikel stond als conclusie: 'Als het ene kunstwerk moet worden opgeofferd aan de restauratie of instandhouding van het andere, is het einde zoek.'

Dat klinkt redelijk, vooral als het de beste kunstwerken zijn die worden opgeofferd. Maar geldt het ook voor een stad als Luik, waar bijna alle kunst op de dag dat ik er was achter slot en grendel zat? In het BRT-programma Zeker Weten werd afgelopen dinsdagavond enkele minuten over de Picassoverkoop gediscussieerd. Hier werd het probleem teruggebracht tot een overweging: de voorstanders van verkoop meenden dat kunst luxe is en wie schulden heeft, kan zich geen luxe permitteren: 'Ik vind dat de schandvlek van de schuld groter is dan de eer zo'n schilderij te bezitten', zei een mevrouw. De discussieleider was het met haar eens: 'We moeten wel beseffen dat de gemeente Luik vele ambtenaren aan het werk kan laten door deze verkoop.'

'Cultuur is geen luxe', bracht een man hiertegen in, 'het is een noodzaak. Hoe zou men reageren als de stad Gent, die ook schulden heeft, Het Lam Gods zou verkopen?'

    • Lien Heyting