Lot akkerbouwers niet in handen van Braks

ROTTERDAM, 23 febr. - Het liep al tegen middernacht en iedereen was uiterst vermoeid na vier dagen van onderhandelen, toen de voormalige Amerikaanse minister van landbouw Richard Lyng de conferentiezaal verliet en in bijzijn van de wachtende journalisten een papiertje uit zijn binnenzak haalde. 'Fase out, get rid off, kill', las de bejaarde bewindsman voor, daarmee geen twijfel latend over de Amerikaanse intentie alle handel verstorende landbouwsubsidies in de wereld te elimineren.

Lyng voerde zijn theaterstukje op in december 1988 tijdens een bijeenkomst van de internationale handelsorganisatie GATT - Algemene overeenkomst over tarieven en handel - in het Canadese Montreal. Die conferentie was bedoeld als tussentijdse evaluatie van de zogenoemde Uruguay-onderhandelingsronde die eind dit jaar in Brussel formeel zal worden afgerond. Liberalisering van de handel in agrarische produkten en daarmee afbraak van het protectionisme in de landbouw vormen het hoofdthema van de Uruguay-ronde. In die zin loopt er een rechtstreekse lijn van Montreal 1988 naar het Groningse akkerbouwgebied Oldambt waar op dit moment boeren in opstand zijn gekomen tegen de dalende graanprijzen.

Wie dat verband ziet, en daarmee impliciet erkent dat de problemen van de Nederlandse akkerbouwers niet los kunnen worden gezien van het internationale handelspolitieke klimaat, beseft dat de Nederlandse boeren niet alleen met de rug tegen de muur staan, maar in feite ook voor een irreele zaak vechten. Er is steeds minder perspectief voor een landbouw die alleen als gesubsidieerde sector kan voortbestaan. Die mededeling doet pijn, maar Braks is slechts de boodschapper.

Pag.9: Vervolg

Het beleid voor de Nederlandse graanboeren wordt al sinds jaar en dag in Brussel gevoerd. De akkerbouwers stellen niet ten onrechte dat de graanprijzen de afgelopen zes jaar met ongeveer dertig procent zijn gedaald. Voor de volledigheid zouden ze er bij moeten zeggen dat in de periode 1979-1983 de prijzen met ongeveer twintig procent stegen. Overigens hoeft een graanprijsdaling voor een akkerbouwer nog niet te leiden tot een evenredige vermindering van het inkomen. Veel hangt ook af van de kostenontwikkeling (kunstmestprijzen) en van bij voorbeeld de opbrengst per hectare (die het afgelopen jaar bijzonder goed was door de prachtige zomer). Los van die factoren: de prijsdaling van dertig procent, zoals die de afgelopen jaren in Brussel is geregisseerd voor de granen, komt niet uit de lucht vallen. Tien jaar geleden was binnen de EG nog geen sprake van een graanprobleem. De Gemeenschap was zelfvoorzienend en exporteerde ook niet veel naar de wereldmarkt. Maar door de produktiviteitsstijging (twee a 2,5 procent per jaar) zijn er geleidelijk aan overschotten ontstaan, een ontwikkeling die werd versterkt doordat ook het aanbod uit andere landbouwgebieden in de wereld, zoals de Verenigde Staten, is toegenomen. Op dit moment bedraagt de overproduktie van de EG ongeveer twintig procent. De EG exporteert die overschotten naar de wereldmarkt. Maar omdat het prijsniveau op de wereldmarkt veel lager is dan het interne EG- prijspeil, moet Brussel flinke subsidies (restituties) geven om die export mogelijk te maken. Dat kost, los van de handelspolitieke conflicten met andere exporteurs op de wereldmarkt, handenvol geld. In 1988 bij voorbeeld waren de kosten van het graanbeleid al gestegen tot ongeveer tien miljard gulden per jaar.

Die ontwikkeling maakt duidelijk waarom de Europese ministers van landbouw in de loop van de jaren tachtig besloten in te grijpen. Dat deden ze door de graanprijs te verlagen en - als gevolg van druk van de Europese regeringsleiders die steeds minder begrip tonen voor excessieve uitgaven ten behoeve van overproduktie - door de introductie in 1988 van het zogenoemde stabilisatormechanisme. Dat is Brussels jargon voor de maatregel om de graanprijs automatisch met drie procent te verlagen indien een produktieniveau van 160 miljoen ton wordt overschreden. En dat was afgelopen seizoen het geval.

Voor het Europese landbouwbeleid, in feite het enige echte gemeenschappelijk beleid dat tot dusver is gegroeid, breken nu interessante tijden aan. Het mooie van het EG-systeem is dat het een uniform prijzenbeleid is en geen inkomensbeleid. Brussel stelt prijzen vast die voor elke producent in de Gemeenschap gelijk zijn. Welk bedrijfsresultaat een boer bij dat gegeven prijsniveau boekt, hangt helemaal af van zijn vakmanschap, zijn teeltkeuze, de kwaliteit van zijn grond, de weersomstandigheden - kortom, al die factoren die een boer tot een echte ondernemer maken.

Door de spanningen die de prijsverlagingen nu oproepen, komt dat systeem zelf onder druk te staan. Immers, als verdere prijsverlagingen onvermijdelijk zijn (gezien de te verwachten uitkomst van de Gatt-onderhandelingen) en men tegelijkertijd het inkomen van alle nu aanwezige akkerbouwers op peil wil houden (zoals de boze boeren nu met hun tractoren eisen), moeten er alternatieven worden gevonden voor het gemeenschappelijk prijsbeleid.

Bij zo'n alternatief komt men al gauw uit bij het geven van directe inkomenstoeslagen aan boeren, in combinatie met afspraken over het uit de produktie nemen van een gedeelte van de grond. Onlangs heeft Brussel een eerste voorzichtige stap in die richting gezet door lidstaten de mogelijkheid te geven om op zeer beperkte schaal, en uitsluitend uit sociale overwegingen, directe inkomenssteun te verlenen aan boeren in financiele moeilijkheden.

Ook Braks zal de regeling in Nederland toepassen, maar hij doet dat eigenlijk tegen zijn zin. Die weerstand is te begrijpen. Wil een systeem van inkomenssteun werkelijk zoden aan de dijk zetten, dan moeten forse bedragen beschikbaar komen. Van bezuinigingen zal geen sprake zijn. En ook al gezien de zeer uiteenlopende levensstandaarden in de EG (het inkomen van een Portugese boer ligt nog steeds ver onder dat van zijn Groningse collega) kan zo'n systeem niet via de uniforme kanalen van Brussel lopen.

Met andere woorden: echte inkomenstoeslagen zullen moeten worden betaald uit de schatkisten in de verschillende hoofdsteden van de lidstaten, en als daartoe inderdaad wordt besloten, is het afgelopen met het gemeenschappelijke Europese landbouwbeleid. Bovendien zal invoering van een zogenoemd quota-systeem, waarbij een boer zich verplicht om zijn produktie te beperken tot een afgesproken hoeveelheid in ruil voor het krijgen van inkomenssteun, tot allerlei bureaucratische problemen bij de controle leiden. Ook uit economisch oogpunt - de 'natuurlijke' prikkel tot schaalvergroting wordt weggenomen - zijn er bedenkingen.

Maar bovenal is er de principiele vraag of de Nederlandse belastingbetaler en de boeren zelf er wel meegediend zijn wanneer een stukje landelijk Nederland met zijn bewoners kunstmatig in stand wordt gehouden op kosten van Den Haag.