Keerpunt Indonesie?

NA DE EXECUTIE van de Indonesier Munir in 1985 voor zijn aandeel in de mislukte staatsgreep van 1965 verklaarde minister Van den Broek (buitenlandse zaken) 'de diepe verontrusting en teleurstelling, om niet te zeggen de diepe frustratie van de Tweede Kamer te delen'.

Nederland had er reeds verscheidene malen bij Indonesie op aangedrongen af te zien van de bloedige incasso van zo oude rekeningen. Vlak voor de executie van Munir waren door Jakarta in Den Haag juist verwachtingen gewekt dat het zou kiezen voor een meer humane weg.

Toch mondde het betoog van de bewindsman in 1985 uit in de waarschuwing dat ons land in dit geval 'buitengewoon zorgvuldig en omzichtig' te werk moest gaan om althans te proberen het leven van andere terdoodveroordeelden te redden. Over de vraag welke instrumenten ons land daarvoor ten dienste staan verklaarde Van den Broek 'op dat moment nog geen uitgesproken gedachten te hebben'.

Daarbij lijkt het voor wat hem betreft te zijn gebleven. Nu vijf jaar later de Indonesische executies helaas weer aan de orde zijn wil Van den Broeks nieuwe coalitiegenoot Pronk hem wel een handje helpen. De nieuwe minister van ontwikkelingssamenwerking overweegt extra Nederlandse steun op te schorten. Dat is heel wat, want het is gevaarlijk ontwikkelingshulp te hanteren als machtsinstrument, zoals de regering tot uitgangspunt nam in de nota Mensenrechten in het buitenlands beleid van 1979, nog steeds een gidsstuk.

NATUURLIJK IS ontwikkeling niet puur economisch; zij omvat zeker ook sociale vooruitgang - en die valt niet los te zien van eerbied voor elementaire rechten van de mens. Maar met name Van den Broek heeft zich verzet tegen aanbevelingen deze te hanteren als een 'zelfstandige doelstelling' van het ontwikkelingsbeleid, al leek zijn bezwaar vooral te zijn dat hij zich praktisch-politiek de handen niet wilde binden met allerlei nadere criteria die zo'n zelfstandige doelstelling vraagt.

TOCH VALT ER niet te ontkomen aan het verband tussen ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten: soms is de maat gewoon vol. Dat bleek heel pregnant in het geval van Suriname na de decembermoorden van 1982. Alle hulp werd gekapt en het heeft heel wat hoofdbrekens gekost om deze extreme (zij het daardoor nog niet ongerechtvaardigde) reactie om te vormen tot een stappenplan dat uitzicht biedt op verbetering. De terughoudendheid in het geval van Indonesie is daar vaak tegen afgezet, al gaat het in termen van buitenlands beleid om niet direct vergelijkbare grootheden.

Hoe men het wendt of keert, nog weer eens vijf jaar dodencel erbij vormt een sterk argument voor de stelling dat nu werkelijk een moreel keerpunt is gepasseerd. Dit staat los van de gerechtvaardigdheid van de doodstraf als zodanig. Indonesie heeft daarop gehamerd terwijl Nederland partij is bij een mensenrechtenprotocol voor afschaffing. Het Indonesische Hooggerechtshof heeft begin 1988 overigens vraagtekens gezet bij de verenigbaarheid van de doodstraf met de staatsideologie Pancasila. Dit geschilpunt kan in elk geval nooit een rechtvaardiging vormen voor de martelende onzekerheid waaraan veroordeelden van de coup van '65 zijn onderworpen. STRIKT GENOMEN houdt verwerping van de uitgestelde executies geen antwoord in op de overigens relevante vraag of in Indonesie sprake is van stelselmatige schending van mensenrechten. Dit heeft gevolgen voor de maat van de Nederlandse reactie. Het doet dan ook de aandrang op de minister van buitenlandse zaken herleven zich nader uit te spreken over de verhouding van mensenrechten als een beleden 'pijler' van zijn beleid en ontwikkelingssamenwerking. Dat geldt zelfs voor de internationale economische betrekkingen in het algemeen.