'Het incident van Ottawa heeft tot toezegging geleid'

DEN HAAG - Tweede Kamer, donderdagavond. Aan de orde is de Duits eenwording, in het bijzonder de positie van Nederland in de internationale besluitvorming daarover. Zonder overleg met andere landen hebben de beide Duitse staten en de vier 'bezettingsmachten' in Ottawa afgesproken met elkaar de vestiging van de Duitse eenheid te zullen bespreken, 'met inbegrip van de veiligheidsaspecten van de buurlanden'.

Hier volgen letterlijke passages uit het debat: Minister Van den Broek (buitenlandse zaken): In Ottawa werden wij enigszins verrast door een verklaring die werd uitgegeven door de vier zogenaamde geallieerde bezettingsmachten tezamen met de beide Duitslanden. Daarin werd aangekondigd, dat deze landen tezamen het gesprek zouden openen over veiligheidsaspecten van de Duitse eenwording, inclusief de veiligheidsaspecten die de nabuurstaten zouden betreffen. Van Traa (PvdA): De minister gebruik het woord 'verrast'. Wil ditzeggen dat hij, toen hij in Ottawa kwam, nog niet wist dat het daar zou gebeuren?

Van den Broek: Zo was het precies. Het was op de tweede dagvan de Open Skies-conferentie. Ons was wel geworden dat met name de vier geallieerden, zoals ik hen nu verder zal noemen, met elkaar in gesprek waren, doordat zij toevallig ook alle vier (in de vergadering, red.) afwezig waren. Maar wat de bedoeling van die samenspraak was, was op dat moment nog niet duidelijk. Als ik er zelf tijdens een besloten NAVO-overleg op de laatste dag voor de slotvergadering van Open Skies niet naar had gevraagd, dan had ik het vermoedelijk de volgende dag in de krant gelezen.

Gualtherie van Weezel (CDA): Waar het hier om gaat (...) is de vraag van wie het initiatief is uitgegaan: van de twee Duitslanden of van de vier voormalige of huidige bezettingsmachten? Van den Broek: Zeker weten doe ik dat niet, maar ik kan mij alleszins voorstellen dat het initiatief zal zijn uitgegaan van de vier bezettingsmachten, want de rol van die vier kan ook uit historische overwegingen nooit en te nimmer worden ontkend. Evenmin kan worden ontkend dat de twee Duitslanden ten aanzien van deze problematiek een belangrijke zeggenschap hebben. Dat is door mij in Ottawa ook niet betwist. Toen echter op verzoek van de Canadese voorzitter de verklaring werd voorgelezen die kort daarvoor door de Twee plus Vier was uitgegeven, stuitte ik op de passage dat zij zich ook wensten bezig te houden met de veiligheidsbelangen van de nabuurstaten. Daarop heb ik logischerwijze gevraagd op welke staten precies werd gedoeld en in hoeverre dit toch niet als een zaak kon worden beschouwd die het bondgenootschap in zijn totaliteit aanging. (...) Ik heb daarbij gezegd dat wanneer men ging spreken over veiligheidsarrangementen, men diende te bedenken dat er sinds 1945 ontwikkelingen hadden plaatsgevonden, waarvan de Bondsrepubliek na haar tot stand koming part en deel was gaan uitmaken, in het kader van een verdrag waaraan zij zich bond, tezamen met vijftien andere bondgenoten, en waarin een Westerse ongedeelde veiligheid werd geproclameerd en wat dies meer zij. (...)

Er isgeschorst en ik heb in overleg met de Amerikaanse collega, met de Duitse collega en met de voorzitter afgesproken dat op de persconferentie zou worden gezegd, dat die bepaalde zin zo moest worden gelezen dat hij geen betrekking had op de NAVO-lidstaten. Anders geconcludeerd: dat daar, waar gesproken werd over de veiligheidsbelangen van de nabuurstaten met name werd gedoeld op de kwestie rondom de Poolse westgrens. (...) Eisma (D66): (...) Het verbaastmij dat juist de Bondsrepubliek niet de bondgenoten tevoren op de hoogte heeft gesteld. Ik vrees namelijk een herhaling van het Tien-puntenplan van Kohl op zo'n manier en ik vrees ook voor de toekomst dat de beloften die de heer Genscher in Dublin heeft gedaan, geen goede uitwerking zullen krijgen. Is die veronderstelling juist? Van den Broek: Nee, ik denk dat uw aarzelingen, uw twijfel, om niet te zeggen uw argwaan, dan te ver gaan. Met name de Bondsrepubliek is er van meet af aan van uitgegaan - ik zeg dat niet puur uit een blauwgrijs vermoeden - dat de desbetreffende passage uitdrukkelijk werd opgenomen om zeker te stellen dat bij het spreken over een veiligheidsarrangement in ieder geval ook de kwestie van en de garanties voor de Poolse westgrens aan de orde zouden komen. Ik wil dat ook best aannemen, maar ik heb alleen opgemerkt dat ik het er niet zo uit kan lezen. Als het zo is, hoor ik dat graag uitdrukkelijk bevestigd. (...) Ons Nederlands belang bij de te kiezen oplossingen voor de Duitse eenwording is rechtstreeks en ook bijzonder. Het is vanuit die achtergrond dat wij vragen om in de daarvoor in aanmerking komende fora - Europese Gemeenschap en NAVO - de gevolgen van dat eenwordingsproces op die samenwerkingsverbanden nader te bespreken.

Van Traa: (...) Wat hier gebeurd is, is dat de Duitse minister van buitenlandse zaken niet van tevoren in bondgenootschappelijk overleg of in EG-overleg heeft gezegd: kijk eens even hier, in Ottawa gaan wij deze zeer belangrijke stap zetten. Van den Broek: Dat is achterafnatuurlijk ook gemakkelijk gezegd. Ik kan mij voorstellen dat er eerst onder de vier geallieerden de idee heeft geleefd, dat zij vieren een belangrijke taak hadden en dat zij vieren bepaalde beslissingen moesten nemen en daarover dan eens met de Bondsrepubliek en met de DDR moesten gaan praten. Zo is het echter niet afgesproken. Men heeft de formule Twee plus Vier gekozen. (...)

Een ding is zeker, het is mijn stellige indruk dat wat ik maar het 'incident van Ottawa' noem, in ieder geval tot gevolg heeft gehad dat in Dublin aan de EG-partners toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van het consultatie- en informatieproces.