Denkend aan Holland ziet Duitsland liefst Zandvoort; Beterzedelijk dan machtig

Denkend aan Holland zie ik Frau Antje blokjes kaas uitdelen aan Oostduitsers voor de Brandenburger Tor op de dag na de opening van de grens. Denkend aan Holland weet ik dat Philips gratis de lichtinstallatie zal leveren voor de Brandenburger Tor als deze na de restauratie van de Quadriga in alle glorie zal herrijzen. Denkend aan Holland zie ik brede Haagse ambtenaren zuchtend door oneindige gangen gaan, op weg naar de koffie-automaat voor een bakje troost en inspiratie. Maar helaas, de automaat schenkt misschien troost, inspiratie niet. De eenwording van Duitsland splijt Nederland. De zakenmensen zijn voor, de politici zijn in hun hart eigenlijk tegen. Nu Duitsland zich op weg heeft begeven om opnieuw het 'hartland van Europa' te worden zal Nederland, zo vrezen zij, in politiek opzicht opnieuw naar de rand worden geschoven. Gevaar hoeft dit nog niet te betekenen. Integendeel. Duitsland wil vriendschap met iedereen. Ook met landen als 'de Benelux of hoe ze ook mogen heten', zoals bondskanselier Kohl dinsdagavond in Erfurt zei. De oplossingen die in de Haagse gangen worden bedacht om zelf ook enige invloed uit te oefenen op de koers van het nieuwe Duitsland, lijken op Marsmans 'ondenkbaar ijle populieren'. Het zijn hoge pluimen die telkens achter de einder verdwijnen. Eerst was het: de beide Duitslanden moeten blijven bestaan. Toen was het: Okay, vereniging, maar tut tut, kalmpjes aan, alles in internationaal overleg. Toen was het: de westgrens van Polen moet worden gegarandeerd en Nederland moet als buurland ook meepraten als de beide Duitslanden met de Grote Vier gaan praten over de eenwording.

Het is geroep vanaf de zijlijn, onhoorbaar op het middenveld, en als er een kreet doorkomt wordt deze genegeerd. Horen wij daar Nederland roepen over vaste grenzen? Nederland dat al eeuwen lang een grensgeschil heeft met Duitsland in de Eems-Dollard en deze grens niet wil vastleggen uit angst voor een Duitse haven aldaar?

Net als toen

Historische analogieen zijn altijd riskant. Maar het lijkt er op dat Nederland in zijn Duitsland-politiek al is teruggekeerd tot de situatie van voor de oorlog. Toen Nederland nog niet veilig in de NAVO zat en zich nog niet beschermd wist door de Amerikaanse atoomparaplu - ook al was het weer in Europa even slecht. Een oud-minister uit een vorig kabinet-Lubbers zei eens dat hij wel jaloers was op de minister van buitenlandse zaken. Want wie had het gemakkelijker dan Van den Broek? Die hoefde alleen maar in alle talen uit te leggen dat het Nederlandse standpunt in wezen niet veranderd was. De kwestie van de kruisraketten vormde een uitzondering. De ministers van buitenlandse zaken van voor de oorlog hadden het even gemakkelijk als Van den Broek. Die meldden ook voortdurend dat er in wezen niets veranderd was in de houding van Nederland. Alleen was die houding toen wat anders: die van politieke neutraliteit en afzijdigheid. Die tijd lijkt terug te komen. Natuurlijk, de internationale vervlechting is misschien wel wezenlijk hechter dan voor de oorlog. En natuurlijk, de Amerikaanse atoommacht en het Amerikaanse belang in Europa zijn er nog steeds, in tegenstelling tot voor 1945. Maar dit belang neemt af. Als Europa een wordt, wordt het daarmee op zichzelf teruggeworpen. En dit is riskanter voor de kleine dan voor de grote landen. De optimisten zeggen: de EG en de CVSE vormen de krachtige kaders waarbinnen kleine landen als Nederland hun invloed kunnen blijven uitoefenen op wat er in en rond Duitsland gebeurt.

Enige scepsis lijkt geoorloofd. De Bondsrepubliek beschouwt de DDR op dit moment als het 'Wilde Westen' op kolonisatiegebied. Ze zal de komende jaren veel van haar energie steken in het vullen van de lege schappen in de winkels met eigen produkten, in het opzetten van nieuwe fabrieken, en in het oppeppen van de landbouw tot Duits voedselarsenaal. De mate waarin ze rekening zal houden met de wensen van Brussel zal er dus vermoedelijk niet veel groter op worden.

Met de komende interne gerichtheid van het verenigde Duitsland wordt het woord 'samenwerking' in de naam Conferentie voor veiligheid en samenwerking in Europa (CVSE) van minder betekenis. Het woord 'veiligheid' in dezelfde naam is in de vroegere zin al onbetekenend geworden. En daarbij, 35 landen blijven, zonder druk van buitenaf, een hele verzameling afzonderlijke landen - niet onvergelijkbaar met het aantal lidstaten van de Volkenbond. En iedereen weet hoe die functioneerde.

Beter dan niets

Wat kan Nederland dan doen om invloed uit te oefenen op de veiligheid van eigen land? Een kleine-landenpolitiek samen met andere kleine buurlanden van Duitsland? Iets is beter dan niets. In de jaren dertig leverde een dergelijk initiatief maar weinig op. Nederland had te weinig overeenkomstige belangen met landen als Denemarken en Zweden. En dat is nog zo. Wie weet hoe de premier van Denemarken heet? In termen van evenwichtspolitiek zien de mogelijkheden er daarom ook niet rooskleurig uit. Op economisch gebied kan Nederland natuurlijk de arme buurlanden van Duitsland, Polen en Tsjechoslowakije, gaan steunen. Dat is het proberen waard, al blijft het spelen over de band zonder precies te weten waar de bal uitkomt.

Wat blijft er dan over? Niet veel. In politiek en economisch opzicht had de Nederlandse regering wellicht alerter kunnen reageren. Nog steeds praat men in Den Haag over het stationeren van een diplomatiek vertegenwoordiger in Berlijn. Nog steeds moeten de visum-aanvragen van de Oostduitsers, en dat zullen er dit jaar naar verwachting zo'n 50.000 zijn, eerst naar de BVD in Den Haag voor ze worden ingewilligd. Dan toch terug naar de vooroorlogse gidsland-politiek? Het harde oordeel over dit opgeheven-vingertje-beleid berustte de afgelopen vier decennia vooral op de zachtheid, waarmee de bondgenoten elkander kusten omwille van de veiligheid. De politieke partijen die voor de oorlog voor de (lichtgewapende) afzijdigheid pleitten, waren dezelfde die na de oorlog de NAVO te vuur en te zwaard als beste recept aanprezen.

Het waren de vrijzinnig-liberalen en linkse groeperingen die doorgaans voor een actief buitenlands beleid hebben geijverd; met Indonesie als uitzondering. In 1946 reisde de liberaal Stikker al door Duitsland, op zoek naar verzoening en handel. Later volgden de sociaal-democraten die het Duitse volk wilden 'heropvoeden'. Argwaan en profijt vormen de sleutelwoorden voor de Nederlandse houding ten opzichte van Duitsland, voor en na de oorlog.

In het buitenlandse beleid betekent dat ook nu afwachting en voorzichtigheid. Want het politieke midden, en daarmee het gros van de bevolking, gelooft in een grootse Europese toekomst, hoopt ten aanzien van Duitsland er het beste van en steekt zijn energie in het bezweren van een stormpje dat over eigen land raast. Zo heeft elk land zijn eigen nationale taak. En misschien is het ook zo'n gekke houding nog niet. Al te veel ijver heeft de wereld ook zelden veel verder geholpen.

Blazoen

Niettemin, enige gouvernementele actie lijkt niet misplaatst. En dat niet zozeer op het politieke vlak (al kan een standpuntbepaling geen kwaad) en evenmin op het economische vlak: de handel moet zich met enige aanbevelingsbrieven zelf maar redden. De actie moet liggen op het niet-materiele vlak. We hoeven hierbij niet zover te gaan als W. J. Hofdijk die ruim een eeuw geleden in zijn geschiedwerk Ons Voorgeslacht vaststelde dat de Gouden Eeuw voorgoed achter ons lag. Hij zag echter een grootsere toekomst in het verschiet liggen als Nederland tot nieuw blazoen zou kiezen: 'Het is schooner het zedelijkste dan het machtigste volk ter aarde te zijn'.

Maar het aanwenden van een 'force morale' is zo gek nog niet. Deze neiging heeft Nederland ten slotte nog altijd niet geheel en al afgeleerd. Prof. J.de Louter hield rond 1900 vurige pleidooien voor het internationale recht als 'schild' van de kleine staat. Eerder lag hij het nut van kleine staten, zo schreef hij, hierin gelegen dat ze de heerszucht van de groten beteugelden, een onmisbaar toevluchtsoord waren voor om hun godsdienst of politieke overtuiging vervolgden en een proeftuin konden zijn voor bijvoorbeeld uitbreiding van kiesrecht en een drankverbod. Onlangs vroeg de Grune Partei in de DDR aan de regering-Modrow 'alternatieven voor de Bondsrepubliek' te zoeken en daartoe contact op te nemen met landen als Nederland en Denemarken. Wat deze contacten precies moesten inhouden werd bij navraag niet geheel duidelijk. Ze waren in elk geval wel zeer geinteresseerd in het Nederlands beleid op het gebied van AIDS-preventie, drugsbestrijding, onderwijs, bejaardenzorg, milieu en gehandicaptenhulp.

De Bondsrepubliek heeft sinds 9 november in alle Oosteuropese hoofdsteden een Goethe-instituut geopend. Nederland dubt nog over de vervanging van een op zijn pensioen aanstevende hoogleraar Nederlands in Leipzig.

Misschien heeft dat allemaal weinig zin. We zijn in Duitsland tenslotte nog altijd het geliefdst om Zandvoort, Frau Antje, Ruud Gullit, Herman van Veen en Rudi Carrell, stuk voor stuk 'prestaties', waarvoor de overheid weinig heeft hoeven doen. In het Europa van de volkeren kan het evenwel geen kwaad dat ook de overheid wat actiever het idee helpt uitdragen dat Nederland een eigen cultuur heeft, met normen, waarden en verworvenheden. Marsman trachtte in 1940 met de boot naar Engeland te ontkomen. Marsman volgen kunnen we altijd nog. Hoewel, Marsman overleefde het niet. Zijn schip werd getorpedeerd.

    • Henri Beunders