Onderzoek btw-heffing instellingen

DEN HAAG, 22 febr. - Het kabinet onderzoekt de effecten van het heffen van omzetbelasting bij sociaal-culturele instellingen. De bewindslieden d'Ancona (WVC), De Graaff-Nauta (binnenlandse zaken) en Van Amelsvoort (financien) hebben dit gisteren meegedeeld tijdens een mondeling overleg met de Tweede Kamer.

Sinds 1 juli 1989 moeten sommige sociaal culturele-instellingen omzetbelasting (BTW) afdragen over geleverde goederen en/of diensten om concurrentievervalsing met commerciele instellingen te voorkomen. Volgens een ruime meerderheid van de Kamer is er geen sprake van concurrentievervalsing omdat het juist om activiteiten gaat die niet door de markt worden 'opgepikt'. Arbeidspools moeten bijvoorbeeld BTW betalen, terwijl zij voor hun inkomsten afhankelijk zijn van subsidies. 'Een schrijnend voorbeeld van het zinloos rondpompen van geld', aldus PvdA'er Vermeend. Volgens hem gaat het bij de BTW-heffing op goederen en diensten in totaal om een bedrag van 30 a 40 miljoen gulden per jaar.

Het kabinet gaat nu inventariseren welke sociaal-culturele instellingen door de BTW-heffing worden getroffen en welke maatregelen kunnen worden genomen om de nadelige effecten tegen te gaan. Tijdens het overleg kwam gebrek aan coordinatie tussen de departementen aan het licht. Van Amelsvoort reageerde gepikeerd toen d'Ancona een fiscaal onderzoek aankondigde dat in opdracht van haar ministerie door de Amsterdamse hoogleraar Terra wordt uitgevoerd. 'Daar weet ik niets van en ik ben niet van plan om de onderzoeksresultaten mee te nemen in de integrale notitie aan de Kamer', aldus de staatssecretaris van financien. Na bemiddeling van voorzitter Kombrink kreeg de Kamer de toezegging dat de resultaten van het WVC-onderzoek in de gezamelijke notitie worden gepubliceerd.