De erfenis van 32 jaar Europees broddelwerk

In Nederland windt een enkele intellectueel zich op over het gelijk van links of rechts in de benadering van de Sovjet-Unie en de communistische overheersing van Oost-Europa door de jaren heen. Historisch gezien zou het niet minder interessant zijn om zich bezig te houden met de vraag of de tegenwoordige ontwikkelingen in Midden-Europa beter beheersbaar zouden zijn geweest indien het gaullisme en de afleidingen daarvan niet voortdurend de Europese integratie hadden gedwarsboomd.

De indruk dat die vraag een bevestigend antwoord verdient, wordt vrij gemakkelijk gevestigd door de vermaning, nu vooral hoorbaar in Parijs, spoed te betrachten met het totstandbrengen van een Europese Monetaire Unie (EMU). Dat die Unie zo lang op zich heeft laten wachten had veel te maken met de periode van Eurosclerosis gedurende een groot deel van de jaren zeventig en tachtig, een kwaal die weer was veroorzaakt door de voorafgaande gaullistische infectie van alle Europese organen.

Het gaullisme had zijn kracht te danken aan het charisma van zijn naamgever. Maar van belang was ook dat het verder reikte dan in het openbaar werd toegegeven doordat menigeen in Europa uit zichzelf al geen afstand wilde doen van vertrouwde nationale symbolen. Vier jaar voordat de generaal door middel van een soort staatsgreep Frankrijk redde van de burgeroorlog had de Nationale Vergadering een (oorspronkelijk Frans) plan getorpedeerd om de gezamenlijke defensie in een Europese Gemeenschap onder te brengen. Het idee dat soldaten de nationale wapenrok zouden verruilen voor een communautaire lag ver buiten het gezichtsveld van de Depute uit die tijd.

Het aan nationale mystiek verslingerde Europa slaagde er niet in de gespletenheid in zijn persoonlijkheid te overwinnen, hoezeer ook werd getracht om deze overgeerfde en de eigen existentie bedreigende handicap achter een web van communautaire regelgeving, bepaald door afruil van deelbelangen, te verbergen. Het gaullisme kwam van pas om als de bok beladen met de gezamenlijke zonden de woestijn te worden ingestuurd, maar het was daarom niet minder een authentieke stimulans voor een pover nationalisme in en buiten Frankrijk.

Den Haag had zich van meet af aan uitgesproken voor een supranationale gemeenschap waaraan de ledenlanden hun beleid en hun rechtspraak zouden onderwerpen. Dit standpunt was misschien minder door communautaire rationaliteit ingegeven dan ogenschijnlijk het geval was. Als klein land was het weliswaar eenvoudig te erkennen dat geregelde besluitvorming meer bescherming bood dan de willekeur der groteren. Maar ook hier gold een beperkend pragmatisme: de communauteit zou zich voltrekken aan de agrarische sector en daar konden de Nederlanders wel een pluisje wegblazen zodra de Gemeenschap incidentele discriminatie onmogelijk zou maken. Iets dergelijks werd ook voor het Europese vervoer over weg en water verlangd, waar Nederland het nodige had te verliezen, maar die wens hebben de Haagse ambtenaren lange tijd niet vervuld kunnen krijgen.

Twijfel aan de intrinsieke waarde van hun argumenten voor supranationaliteit zaaiden de Nederlanders overigens zelf door het anti-communautaire gaullisme een compromis aan te bieden. Indien supranationaliteit onaanvaardbaar was, kon Den Haag tevreden worden gesteld met toelating binnen de Gemeenschap van het inmiddels willig geworden Verenigd Koninkrijk. Machtsevenwicht werd zo in de plaats gesteld van evenwichtige communauteit, een Haagse vondst die in een diplomatiek debacle uitmondde. De generaal had wel begrip voor de beweegredenen. Met een 'Wat wilt U? Het is per slot van rekening een volk met een geschiedenis' reageerde hij volgens de overlevering op klachten over de Hollandse eigengereidheid. Maar dit weerhield hem er niet van om, begin 1962, deze ongelijke partij in zijn voordeel te beslechten: geen supranationaliteit en geen uitbreiding was de uitkomst. Niet als gevolg van het Haagse streven heeft de Britse toetreding tot de Gemeenschap uiteindelijk plaatsgehad. Maar toch achtervolgt dat deel van de Haagse politiek dat over historisch besef beschikt zichzelf nog wel eens met zelfverwijt. Is het niet ironisch dat het Verenigd Koninkrijk onder het premierschap van Margaret Thatcher een nieuwe rem is gebleken op de Europese integratie - waarvan de andere, inmiddels elf, lidstaten zeggen dat zij aanzienlijk moet worden versneld? Als pleitbezorger van de nationale soevereiniteit heeft het gaullisme in Londen navolging gevonden.

Maar begrippen veranderen van inhoud. 'Integratie' bijvoorbeeld heeft inmiddels een andere betekenis gekregen. Indien van Franse kant wordt aangedrongen op totstandkoming van Europese eenwording op monetair gebied gaat het er Parijs nu om Duitse expansie te beteugelen die ten koste gaat van Frankrijks sociaal-economische positie.

Voorheen wenste men Bonn als (tegenstribbelende) junior partner bij het afdammen van de dollar, van de Amerikaanse invloed in Europa. Nu van een Amerikaanse eb sprake is en tegelijkertijd een Mark-zone bezig is te ontstaan van de Noordzee tot voorbij de Oder-Neisse, moet in de Franse optiek de EMU gaan functioneren als een knevelverband. Want uit de cijfers van betalingsbalans, valutaverhouding en relatieve economische groei mag worden afgeleid dat van een opgaan van Duitsland en Frankrijk in een nieuwe economische entiteit geen sprake is geweest. 'Integratie' in die zin is niet geslaagd en de hoop is opgegeven die toestand te bereiken. Het gaat er om een dorpel te leggen waarachter de Duitse vloed kan worden tegengehouden.

Een herleving van de entente cordiale behoort niet langer tot het rijk der dromen. Voor de oude gaullistische vrees dat het Verenigd Koninkrijk de sluis zou zijn waardoor de Amerikaanse golfstroom het continent zou inunderen, bestaat geen enkele reden meer. De verdamping van het Warschaupact is aan Westelijke kant geevenaard door het verval van de bijzondere betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannie.

Met ingehouden trots verklaarden vorige zomer Duitse politici, ook sociaal-democratische, dat de Amerikaanse president de Bondsrepubliek met de voogdij over Europa had belast. Niemand kon op dat moment de consequenties voorzien. Maar dat het geen Duitse grootspraak was geweest bleek vorige week in Ottawa waar Bonn met instemming van Moskou en Washington het voldongen feit van een op Duitse termen verenigd Duitsland aan onaangenaam verraste bondgenoten en andere geinteresseerden kon presenteren. Met dien verstande dat de regie, zich refererend aan ficties uit het midden van de jaren veertig, rekening had willen houden met gevoeligheden aan Britse en Franse kant. Het was nogal grotesk dat de schok werd toegediend ter gelegenheid van een bijeenkomst die aan de open skies was gewijd. De gevolgde procedure had immers allesbehalve met openheid te maken.

Nu zitten we dus met de losse eindjes van 32 jaar lang Europees broddelwerk dat ook wel pragmatisme werd genoemd. Wanhopig smeekt de Franse president om Duitse welwillendheid tegenover zijn voornemen de intergouvernementele conferentie te vervroegen waarop de EMU verder gestalte zal moeten krijgen.

Of hij wel of niet zal slagen is niet het belangrijkste. Wezenlijk is dat hiermee een actuele illustratie wordt gegeven van wat als het belangrijkste draagvlak van de (West-)Europese samenwerking te boek staat. Profetieen uit vervlogen tijden worden bewaarheid: indien de Europese eenwording onvoltooid blijft zal Duitsland zich van zijn ankers losscheuren, gewild of noodgedwongen. Daarvan zijn we thans getuige.

    • Commentator Nrc Handelsblad
    • J.H. Sampiemon