Akkoord over salaris ambtenaren is kwestie van creatiefrekenen

DEN HAAG, 22 febr. - Zowel minister Dales van Binnenlandse Zaken als drie van de vier ambtenarenbonden toonden zich gisteren tevreden met het akkoord over de ambtenarensalarissen. Op het eerste gezicht spraken de twee partijen echter over een verschillend akkoord. Dales zei blij te zijn dat de bonden instemden met de 2,75 procent die zij ter beschikking had gesteld. De bonden zeiden te kunnen leven met de 4,2 procent die de minister had aangeboden. Een verschil dus van 1,45 procent.

Toch bestreed geen van beide partijen de berekening van de ander. Het gaat hier dan ook niet om een misverstand. Het is gewoon een kwestie van creatief rekenen om iedereen in staat te stellen het akkoord met goed fatsoen aan zijn achterban te kunnen voorleggen. De bonden eisten immers vijf procent van de minister, terwijl de minister maar 2,5 procent ter beschikking stelde. Nu zitten ze geen van tweeen in hun eigen berekeningen al te ver af van hun oorspronkelijke inzet.

De verschillende interpretaties over het behaalde onderhandelingsresultaat worden voor een deel veroorzaakt doordat beide partijen hun percentage over een andere periode berekenen. De afspraken tussen minister en bonden bestrijken de periode van 1 april dit jaar tot 1 april 1991. De ambtenarensalarissen zullen in die tijd 2,6 procent stijgen, voor aanpassing van de inkomens van de hogere ambtenaren komt daar bovenop 0,25 procent ter beschikking en voor een aantal andere loonmaatregelen nog eens zo'n 0,35 procent. In totaal is minister Dales dus 3,2 procent kwijt.

Het voordeel voor Dales is echter dat een deel van het geld pas in 1991 ter beschikking hoeft te komen, terwijl de eerste drie maanden van dit jaar niet in de afspraken vallen. Gerekend over het kalenderjaar 1990 komt de minister dus goedkoper uit dan 3,25 procent. Volgens haar eigen berekeningen is dat welgeteld 0,5 procent. Daardoor blijft de totale stijging in 1990 beperkt tot 2,75 procent.

De bonden daarentegen rekenen gewoon de periode van 1 april tot 1 april, en houden het dus op 3,25 procent. In tegenstelling tot de minister, rekenen zij bovendien nog een een half miljard gulden mee die de overheid uittrekt voor werkgelegenheidsmaatregelen zoals scholing, werkervaringsplaatsen voor jongeren en verlaging van de VUT-leeftijd. Daardoor komt in hun berekeningen de totaal veroverde loonruimte nog een procent hoger, op 4,25 procent. Zij sluiten hiermee aan bij de gewoonte in het bedrijfsleven, om het geld dat beschikbaar is voor werkgelegenheidsmaatregelen bij de arbeidsvoorwaardenruimte te betrekken.

Maar ook de verschuiving van de looptijd van de afspraken van 1 april tot 1 april, geeft de bonden het gevoel dichter bij het CAO-overleg in de marktsector te zijn gekomen. Tot nu toe golden de afspraken voor een kalenderjaar, waardoor de afspraken altijd moesten vooruit lopen op wat de onderhandelaars in de marktsector zouden doen. Daar immers beginnen de meeste CAO-onderhandelingen pas aan het eind van het jaar, en lopen tot ver in het voorjaar door.

Dit kon ingewikkelde situaties opleveren, omdat de ambtenarensalarissen in principe juist de inkomens in de marktsector zouden moeten volgen. Door de verschuiving met drie maanden kunnen de ambtenarenbonden nu van te voren beter bekijken wat de ontwikkelingen in het bedrijfsleven zijn, en hun strategie daarop afstemmen.