Zorgvuldige, nadrukkelijke Herrmann-regie van MozartsEntfuhrung aus dem Serail; Zingen als een intensere vorm van het spreken

Die Entfuhrung aus dem Serail van Mozart is een opera met gesproken dialogen. Maar het regisserende echtpaar Ursel en Karl-Ernst Herrmann maakt er een toneelstuk van met incidentele muziek van Mozart. Dat is vaker vertoond, bijvoorbeeld door Ruth Berghaus in Frankfurt, maar bij mijn weten niet zo extreem als in de voorstelling die eerder in Wenen was te zien en nu in Brussel wordt vertoond. In de oorspronkelijke teksten is nauwelijks gecoupeerd en Thomas Brasch zorgde nog zelfs voor enige aanvulling. De voorstelling (anders altijd van normale lengte) begint nu al om zeven uur om nog even voor elven te kunnen eindigen. Maar de iets grotere hoeveelheid tekst verklaart die lengte niet: het is de speelstijl die de ademende woorden omgeeft met ruimte en stilte voor bezinning en die de zangers maakt tot acteurs, die ook nog zingen.

De typische Herrmann-decorstijl die pas nog afstraalde op de Amsterdamse Cosi, opulent en opzienbarend van tuinarchitectuur en theatertechniek met als absoluut hoogtepunt de Brusselse enscenering van Mozarts La finta giardiniera, is hier teruggebracht tot enkele rudimenten. Boven de muur rond het paleis van Bassa Selim is nog een boomkruin te zien en het anders vaak zo rijkelijk aanwezige water bevindt zich hier in een kleine, uit zichzelf bewegende vijver. Het blijft echter een wonder hoeveel de Herrmanns daaromheen en daarin nog kunnen laten gebeuren.

Verder is het decor kaal en simpel: de daktuin van Bassa Selim is een doolhof van muurtjes tot heuphoogte in de vorm van een vesting, temidden van een nondescripte omgeving. Behalve in de kostumering ontbreekt elke oosterse detaillering. De regie gaat niet uit van grote of revolutionaire dramaturgische concepten, zoals een visie op de botsing van oosterse en westerse cultuur en levensbeschouwing, maar bepaalt zich vrijwel geheel tot een bijzonder zorgvuldige en uitvoerige karakterisering van de personages, vooral die van Bassa Selim.

De acteur Hilmar Thate vertolkt die uitsluitend gesproken rol van Bassa Selim: de despoot die de zoon (Belmonte) van zijn grootste vijand in zijn macht krijgt en zijn zinnen heeft gezet op diens geliefde (Konstanze). Thate lijkt wat uiterlijk en houding betreft een naaste verwant van Ischa Meijer, maar dan iets minder extravert. Zijn Bassa Selim is morsig, tobberig, blootvoets en ongeschoren, een soort van hippie van drie eeuwen her, wars van elk decorum.

Thate laat geregeld lange stiltes vallen, prevelt onhoorbare woorden voor zich uit en laat zijn tegenstrijdige gevoelens met elkaar worstelen zonder daarbij als scheidsrechter op te treden. Uiteindelijk krijgen zijn nobele gevoelens maar nauwelijks de overhand op zijn door bezitsdrang gemotiveerde liefdesuitingen voor Konstanze, steeds uitgevoerd met het mes onder handbereik.

Het is dat de goede afloop nu eenmaal vaststaat, anders had het bij Thate nog wel eens slecht kunnen uitpakken voor Konstanze, haar Belmonte die haar komt bevrijden en voor Blondchen en Pedrillo, die hier minder dan ooit hun gedienstigen zijn. Hun rollen en die van de bewaker Osmin worden lang niet zo grensverleggend gepresenteerd, maar ze zijn wel goed en overtuigend uitgewerkt.

Dat is het voordeel van deze Herrmann-aanpak: de anders zo vaak gene oproepende dialoog krijgt hier een uitvoering op toneel-niveau, met zorgvuldig gedoseerde grapjes die ook nog leuk zijn. Het nadeel is dat alles even nadrukkelijk gebeurt, zodat de vaart volkomen uit de voorstelling verdwijnt en het verhaal langdradig wordt: de ontvoering en de mislukking daarvan zijn nogal sloom en verre van spannend. De muziek speelt in deze opvoering nog net geen ondergeschikte rol omdat die zich geheel voegt naar wat de Herrmanns willen: het zingen is een geintensiveerde voortzetting van het spreken en de dramaturgie houdt daar niet op. Het meest overtuigend komt dat tot uiting in Konstanzes kort op elkaar volgende aria's Traurigkeit ward mir zum Lose en Martern aller arten. De eerste valt bijna uiteen in wat losse zuchten, de tweede is een furieus antwoord op het dreigement van Bassa Selim. Eindelijk heeft het orkest onder leiding van de telkens eveneens geduldig afwachtende Emil Tchakarov dan echt even wat te doen. De Bulgaarse dirigent, die jarenlang het vak leerde bij Karajan en Ozawa, is de onverstoorbare gedienstigheid zelve en ondersteunt slechts de actie op het toneel, zonder de muziek de hoofdrol te laten spelen. Kaltgestellt lijkt Tchakarov: hij is niet uit de plooi te krijgen en beheerst de musici met zo'n opmerkelijke economie aan beeldend gebaar - soms met slechts een enkele vinger - dat hij doet denken aan het optreden van Karl Bohm.

Het klinkend resultaat is wel volkomen anders: geen glanzende pracht maar een begeleiding die zakelijk en adrem is. Tchakarov behoedt daarmee heel knap de voorstelling nog net voor de totale desintegratie die ongetwijfeld zou dreigen bij een 'normale' muzikale uitvoering. Het vocale aandeel is over het algemeen even onconventioneel: wel heel karaktervol maar bepaald niet in poezelige en gepolijste Salzburger stijl.

Lynn Dawson (Konstanze) is een gekwelde vrouw, wier coloraturen in Martern aller Arten bijna letterlijk klinken als kreten in doodsnood. Elzbieta Smytka (Blondchen) is een prachtig zingend eigenzinnig typje dat zich van werkelijk niemand ook maar iets aantrekt. Kurt Streit geeft aan Belmonte een veel krachtiger profiel dan gewoonlijk en Ferdinand Seiler is gelukkig niet zo'n hinderlijk domme losbol als vele andere Pedrillo's. En Artur Korn, met zijn fraaie ronde bas, toont als Osmin dat het uiteindelijk toch allemaal komedie is.

In het indrukwekkende oeuvre van de decorbouwer en regisseur Karl-Ernst Herrmann heeft deze Entfuhrung wat minder belang dan de onvergetelijke ensceneringen van opera's als La Traviata, La finta giardiniera, en Cosi fan tutte en de toneelvoorstelling Triumph der Liebe naar Marivaux. Net als de twijfelende Bassa Selim weet het regisserende echtpaar Herrmann uiteindelijk niet overtuigend te kiezen: is deze opera nu muziektheater of een toneelvoorstelling met muziek? En in het laatste geval: toneel is toch niet alleen ouderwetse voordrachtskunst en h-e-e-le-r-gl-a-n-g-z-a-a-m.

Voorstelling: Die Entfuhrung aus dem Serail, van W. A. Mozart door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Emil Tchakarov. Met: Hilmar Thate, Lynne Dawson, Elzbieta Szmytka, Kurt Streit, Ferdinand Seiler en Artur Korn. Decors en kostuums: Karl Ernst-Herrmann; regie: Ursel en Karl-Ernst Herrmann. Gezien: 18/2 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen (met wisselende bezetting): 20, 23, 25, 27/2; 3, 6, 8/3.

    • Kasper Jansen