Windenergie krijgt ook na 1990 nog subsidie van EZ

ROTTERDAM, 21 febr. - Minister J. E. Andriessen van economische zaken heeft vanochtend aangekondigd dat de subsidieregeling voor windenergie na 1990 voortgezet zal worden. Tijdens de opening van de vijfde Internationale Windenergie Conferentie in Lunteren noemde de minister windenergie in Nederland een 'beginnende realiteit'. Het Integraal Programma Windenergie (IPW), dat in 1986 van start ging, loopt dit jaar af en er bestond onzekerheid over de verlenging ervan. De doelstelling van het IPW om in 1990 te komen tot een totaal vermogen van 100 tot 150 megawatt uit windturbines wordt niet gehaald. Op het ogenblik bezitten 321 windturbines in Nederland samen een vermogen van 40 megawatt (MW). In 1986 was dat nog 7 MW. De in aanbouw zijnde turbines kunnen in de loop van 1990 het vermogen opvoeren tot ongeveer 70 MW. Tijdens een persbijeenkomst voorafgaand aan de windenergieconferentie noemde R. de Bruijne van het NOVEM, dat het onderzoek en de toepassing van nieuwe, milieuvriendelijke energiebronnen coordineert, de toekomst van windenergie 'rooskleurig'. Volgens De Bruijne heeft Nederland een voldoende grote markt voor windturbines. Particuliere cooperaties en bedrijven, die vooral de kleinere turbines tot 75 kilowatt exploiteren, vormen ongeveer tien procent van die markt. Een belangrijker deel van de produktie wordt verzorgd door de windparken, zoals die bij Urk en Oosterbierum. Verwacht wordt dat steeds meer energiebedrijven grote windmolens met een vermogen van 250 tot 500 kW gaan exploiteren.

Denemarken en Nederland staan binnen Europa aan de top van het onderzoek naar en de toepassing van windenergie. Denemarken steekt echter met kop en schouders uit boven Nederland waar het gaat om de export van windturbines. Volgens H. J. M. Beurskens van de stichting Energie-onderzoek Centrum Nederland (ECN) komt dat omdat de Denen tientallen jaren eerder begonnen zijn met de serieproduktie van windturbines. Nederland is nog niet in staat tot serieproduktie, waardoor de kostprijs van de turbines hoog blijft. Wel voorspelde Beurskens een mooie toekomst voor de produktie en export van de grotere windturbines, met een vermogen vanaf 300 kW. Een groot probleem bij de exploitatie van windenergie is de verwerving van de grond voor de turbines. Er gaat te veel tijd en geld zitten in de procedures voor de vestiging van windmolens. Dat heeft volgens De Bruijne van het NOVEM te maken met de vermeende hinder van de molens voor vogels en met de zogenaamde 'horizonvervuiling': men vindt windmolens in het landschap vaak lelijk. Het grootste probleem bestaat echter uit de geluidsoverlast die de turbines veroorzaken. In december 1988 werd daarom besloten zestien net in gebruik gestelde windmolens in Callantsoog (Noord-Holland) bij zwakke wind 's avonds en 's nachts stil te zetten. Begin 1989 besloot het ministerie van VROM een extra subsidie toe te kennen aan exploitanten die investeren in geluidsarme windturbines.