Wat zit er in de Hollandse lucht?

Broeit er in Nederland ook iets? Zit er iets in de lucht? Op 14 februari stond in deze krant onder de kop Een-partijstaat Nederland een lang, alarmerend artikel van de randstedelijke historicus J. W. Oerlemans. Hij schrijft: 'De politiek', met inbegrip van de inmiddels gepolitiseerde bureaucratie, lijkt zich meer dan ooit te hebben ontwikkeld tot een min of meer gesloten circuit van partijleden.'

De politicus is een carrierist geworden die zich niet meer belast voelt door een morele of ideologische opdracht. Het blok van de drie grote partijen heeft 'alle kenmerken van een carriere-oligarchie waarbinnen een zeer beperkt aantal ambitieuzen de dienst uitmaakt'.

Wie het in de politiek ver wil brengen is 'mentaal afhankelijk' van hogere bazen in de hierarchie en daarmee is 'een zekere feodalisering van het politieke bedrijf ontstaan'.

Terwijl in dit bedrijf beslist wordt over het wel en wee van het hele land, onderscheidt het zich van andere bedrijven doordat het geen klandizie heeft die zich bij wanprestaties onmiddellijk kritisch kan uiten of zich voor straf tot een andere producent kan wenden. Vandaar dat de politicus 'zich een hele reeks misgrepen kan permitteren'. Hij kan zich 'altijd weer beroepen op gewijzigde omstandigheden, onjuiste prognoses, 'meevallers' of 'tegenvallers' of de 'politieke wil' van de partijen'.

Het onkwetsbare isolement van de politieke oligarchie leidt tot de praktisch onbedreigde machtsuitoefening van een kleine minderheid, die daarbij een uniek instrument tot haar beschikking heeft: de geldkraan.

Het is ondoenlijk de doorwrochte kolommen van Oerlemans in een paar zinnen samen te vatten; ik veroorloof me de conclusie te parafraseren. Wij in het Westen, zittend op de troon van onze volmaakte democratie, volgen zelfvoldaan de worstelingen in het Oosten, maar we zien niet dat we ons intussen zelf laten bedotten, of sterker, dat ons iedere dag een oor wordt aangenaaid door onze in volle vrijheid gekozen politici.

Oerlemans is niet de enige wiens onbehagen over de werking van ons politiek systeem tot een beredeneerd protest heeft geleid. Omstreeks dezelfde tijd is bij uitgeverij De Balie onder de titel Pretenties en partijen een brochure verschenen waarin een aantal over politiek schrijvende landgenoten reageert op een provocerend betoog van Paul Kuypers. 'Politieke partijen zijn geen maatschappelijke bewegingen, ' schrijft hij. 'Zij zijn geen dragers van het algemeen belang en zij zijn evenmin schakels tussen de burger en de staat. Als centrum van politiek denken en handelen hoort de politieke partij tot het verleden. Politieke partijen zijn organisaties naast andere organisaties.' Dat is een opmerkelijke overeenkomst met de zienswijze van Oerlemans. Het verschil is dat Kuypers het systeem van de drie grote partijen ziet als een onafhankelijke bedrijfstak die naast andere bedrijfstakken een geisoleerd en in hoge mate steriel bestaan leidt. Oerlemans constateert ook het isolement, maar dat heeft bij hem een sinistere eigenschap, want het is maar in een richting werkzaam. Het isolement stelt 'de politiek' juist in staat om met het geringste risico op weerwerk van de zijde der geregeerden de lakens uit te delen. Bij Kuypers heerst een staatsschizofrenie; bij Oerlemans hebben we met een geruisloze vorm van megalomanie aan de kant van 'de politiek' te maken.

Wie heeft gelijk? Kuypers gebruikt een citaat uit Mittelmass und Wahn van Hans Magnus Enzensberger. Hij kan dat doen omdat de wantoestand niet tot Nederland beperkt blijft. Enzensberger schrijft: 'De Bondsrepubliek kan zich een incompetente regering veroorloven omdat het tenslotte helemaal niet aankomt op de mensen die ons in het televisiejournaal vervelen. De werkelijke maatschappelijke processen verlopen autonoom, ver verwijderd van het politieke circus in Bonn. (...) Vernieuwingen, besluitvorming met een langere draagwijdte komen allang niet meer voort uit de politieke klasse. 'Integendeel: pas wanneer een nieuw idee tot zijn banaalste vorm is teruggebracht, klikt er iets bij partijen en regeringen. De werkelijke beslissingen worden decentraal genomen, in een wijdvertakt zenuwstelsel dat van geen enkel punt uit controleerbaar is. (...) De politiek is het rijk van de herhaling. Het hoort tot haar opdracht, steeds hetzelfde te zeggen. Het lijkt mij dat haar speelruimte steeds kleiner wordt. De staatsmacht ziet eruit als een door talloze draden geboeide Gulliver, die langzaam maar onophoudelijk ineenschrompelt, een lilliputter die zich naar oude gewoonte voor een reus houdt.' Dat pleit voor de staatsschizofrenie. Maar is Enzensberger niet te veel een empiricus van het beeldscherm en de straat? Het is waar dat vandaag de dag mensen en instituten meer dan ooit hun eigen zin doen, wet en moraal aan de laars kunnen lappen zonder daarvoor enig nadeel te hoeven incasseren. Men loopt zelden te hoop om te laten weten dat men gefrusteerd wordt door gebrek aan macht of invloed op de regeerders. Er is geen 'manifeste maatschappelijke onvrede', maar hoe komt dat? Misschien wel doordat de organisaties die men gebruikte om de 'onvrede' te uiten, daarvoor niet meer toegankelijk zijn. Misschien ook omdat de 'onvrede' niet groot genoeg is. Maar dat wil nog niet zeggen dat in onze gebureaucratiseerde subsidiecultuur die door Oerlemans gesignaleerde, sinistere kant van de machtsuitoefening geen belangrijke rol zou spelen; dat we hier niet een Nederlandse, ogenschijnlijk zachtaardige, of gecapitonneerde nachtmerrie van Kafka in ontwikkeling hebben.

Als er iets in de lucht zit dat daartegen iets wil ondernemen, lijkt het mij persoonlijk de hoogste tijd dat het er uitkomt. De eerste tekenen zijn er.

    • H. J. A. Hofland