CPB worstelt met koppeling

DEN HAAG, 21 febr. - Het kabinet is op een onverwacht obstakel gestoten. Het Centraal Planbureau (CPB) weigert mee te werken aan een systeem waarin de ontwikkeling van de uitkeringen gekoppeld wordt aan de stijging van CAO-lonen, op basis van vrijwel uitsluitend ramingen van het CPB. Zonder medewerking van het CPB is het plan dat de voorkeur had van het kabinet niet uitvoerbaar. Het CPB moet immers bij de uitvoering ervan twee keer per jaar een raming maken van de stijging van de CAO-lonen.

Wil het kabinet zijn plan toch doorzetten, dan riskeert het een conflict met het CPB. Intern heeft het planbureau namelijk laten weten in dat geval geen raming van de CAO-loonstijging meer te maken en zich te beperken tot een algemene loonraming, zoals ook een aantal jaren geleden werd gedaan.

Het Centraal Planbureau zou in september in de Macro-economische Verkenningen een raming moeten maken van de in het volgende jaar te verwachten stijging van de CAO-lonen. Het kabinet zou daarop per 1 januari de uitkeringen en het minimumloon verhogen met driekwart van dat verwachte stijgingspercentage.

Vervolgens zou het planbureau in februari/ maart in het Centraal Economisch Plan een nieuwe raming van de CAO-loonstijging moeten maken, die het kabinet tot uitgangspunt neemt bij een eventuele aanpassing van uitkeringen en minimumloon per 1 juli. Omdat de in het regeerakkoord beloofde koppeling van uitkeringen en minimumloon aan de CAO-lonen niet gerealiseerd kan worden op uitsluitend ramingen, zou een keer in de vier jaar moeten worden beoordeeld of de niet-actieven en minimumloners er wellicht nog een extraatje bij moeten krijgen.

Het CPB heeft geen zin de verantwoordelijkheid te krijgen voor het vaststellen van drie miljoen uitkeringen. Daar zou het in de praktijk op neerkomen wanneer de stijging van de uitkeringen vrijwel definitief wordt vastgesteld op basis van een raming in het Centraal Economisch Plan aan het begin van het jaar.

Het planbureau ziet de buien al hangen. Raamt het een hoge loonstijging dan zullen kabinet, parlement en werkgevers - die belang menen te hebben bij beperking van de publieke uitgaven - het CPB onder druk zetten. Is de raming echter aan de lage kant, dan zal het vooral de vakbeweging zijn die de raming ter discussie zal willen stellen.

Het kabinet heeft de meeste gelegenheid om direct invloed uit te oefenen op de CEP-ramingen van het planbureau. De ramingen in het Centraal Economisch Plan worden namelijk altijd eerst voorgelegd aan de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA), een onderraad van de ministerraad.

Het CPB moet dus niet alleen vrezen voor een eigen politieke rol, maar eveneens voor een sterkere invloed van de politiek op de eigen prognoses.

Het bezwaar van het Centraal Planbureau kan worden ondervangen, door de rol van het CPB te beperken tot het opstellen van de gemiddelde CAO-loonraming in de Macro-Economische Verkenningen waarop het voorschot aan uitkeringstrekkers en minimumloners moet worden gebaseerd. Vervolgens kan dan, na een half jaar of een jaar, op grond van de werkelijke ontwikkelingen in de CAO's worden berekend hoeveel erbij moet.

Grondslag van de discussie binnen de SER is de opvatting dat de politieke verantwoordelijkheid komt te liggen waar ze thuis hoort. De SER heeft in dat geval ook minder werk. Die hoeft dan alleen geconsulteerd te worden indien het kabinet van plan is de koppeling los te laten.