Universiteiten verliezen greep op onderzoeksgeld

ROTTERDAM, 20 febr. - Stoken tussen vrienden, daar lijkt het wel een beetje op. Dat vindt prof. dr. H. J. van der Molen van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) van de manier waarop minister Ritzen (onderwijs) het budget van zijn organisatie wil verhogen. Ritzen wil NWO minstens vijf miljoen gulden erbij geven, geld dat hij weghaalt bij de universiteiten. Van der Molen zal het bij zijn vrienden weggehaalde geld natuurlijk wel accepteren. Voor universitair onderzoek blijft immers in totaal evenveel geld beschikbaar. De universiteiten krijgen er alleen minder over te zeggen.

Voor NWO breken dus boeiende tijden aan, erkent Van der Molen. De vergroting van het ruim 300 miljoen grote budget, hoe bescheiden ook, maakt het makkelijker de ontwikkeling van wetenschapsgebieden te sturen. Bovendien krijgt de organisatie ook op een andere manier meer greep op het universitaire onderzoek. Als Ritzen besluit het fonds voor de oprichting van onderzoeksscholen voor de verschillende wetenschapsgebieden te laten beheren door NWO, gaat deze organisatie bepalen waar die 'graduate schools' worden gevestigd. En dat zal niet aan elke universiteit zijn.

Ritzen maakte er vorige week in de Tweede Kamer geen geheim van dat hij veel verwacht van de versterking van de zogeheten 'tweede geldstroom'. Dat is geld (bijna 200 miljoen gulden) dat grotendeels bestemd is voor universitair onderzoek, maar niet rechtstreeks van de schatkist naar de universiteiten vloeit. NWO, tot voor enkele jaren beter bekend als ZWO (organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek), verdeelt dat geld over universitaire onderzoeksprojecten. Bij de keuze van projecten is kwaliteit het belangrijkste criterium. De vraag of het project een nieuw, van belang geacht onderzoeksterrein helpt ontsluiten, kan een ander criterium zijn.

De vergroting van het budget van NWO wil Ritzen opbrengen uit de 'eerste geldstroom' (1,2 miljard gulden), geld dat tot dusver wel rechtstreeks naar de universiteiten gaat. Dat wilde zijn voorganger Deetman ook, maar dan slechts zo'n vijf miljoen gulden per jaar. Na vijf jaar zou dat bedrag opnieuw worden bekeken. Ritzen vindt die vijf miljoen te weinig, zo verklaarde hij in de Tweede Kamer. De minister wilde echter niet zeggen hoeveel meer hij dan aan de universiteiten wil onttrekken.

Het geld moet komen uit het onderzoeksbudget van de universiteiten. Daarin zit ruimte, doordat jaarlijks onderzoeksprojecten worden beeindigd. Hetzij omdat ze zijn afgerond, hetzij omdat er bij de periodieke kwaliteitsbeoordeling een negatief oordeel over is geveld. De mogelijkheid projecten af te wijzen is een van de uitgangspunten van het stelsel van voorwaardelijke financiering zoals dat sinds 1983 voor het universitaire onderzoek geldt.

Belangrijkste motief van Ritzen om de overheveling van geld van universiteiten naar NWO nu door te zetten is de wens onderzoekers en onderzoek beter te kunnen selecteren. Van der Molen kan zich daarin vinden: 'Wij willen daarom ook niet beschikken over al het geld dat de universiteiten voor hun onderzoek krijgen. Ik denk dat er niet genoeg uitstekende onderzoekers zijn om dat geld verantwoord, volgens onze normen, te besteden.'

Een verdubbeling van het NWO-budget zou Van der Molen 'al heel aardig vinden'.

Zelfs dan zal een deel van de voorgestelde projecten afvallen. Van der Molen: 'Ook als je alleen maar uitstekende projecten voorgelegd zou krijgen, moet je er een aantal afwijzen om er enige competitie in te houden. Op dit moment wijzen we veel meer dan vijftig procent van alle aanvragen om subsidie af. Dat zou misschien wat minder kunnen, maar we willen beslist niet alle aanvragen honoreren. Bovendien is het door de verruiming van het budget mogelijk de ontwikkeling van multi-disciplinair onderzoek stimuleren.' Internationaal bezien is de Nederlandse 'eerste geldstroom' groot en de tweede relatief bescheiden. Ook dat is een reden om wat meer evenwicht tussen de twee te willen aanbrengen. Voor minister Pais was die wens eind jaren zeventig een belangrijk motief om een fors bedrag, tussen de tachtig en de tweehonderd miljoen gulden, te willen verschuiven naar de tweede geldstroom. Dat werd door de universiteiten met succes bestreden.

Hun kans op succes is dit keer aanzienlijk kleiner. Al enkele jaren oefent de Tweede Kamer grote druk uit op de minister van onderwijs om de tweede geldstroom te versterken met geld uit de eerste. Oud-minister Deetman weerstond die druk lange tijd omdat hij vreesde dat overheveling tot ontslagen zou leiden - en dus tot extra uitgaven voor wachtgelden. In 1988 besloot Deetman echter, zoals gezegd, vanaf 1990 vijf miljoen gulden per jaar uit het universitaire budget over te hevelen naar NWO. Van der Molen noemt de overheveling onontkoombaar, maar doet tegelijk zijn best de zaak voor de universiteiten wat vriendelijker voor te stellen. Hij wil zijn klanten niet onnodig voor het hoofd stoten. 'Eigenlijk zijn we er niet bij gebaat dat de minister zo duidelijk veel geld bij de universiteiten weghaalt en aan ons geeft. Zelfs als we dat in volledige overeenstemming met de universiteiten besteden, geeft het toch spanning. In feite zegt de minister immers: 'Bij jullie haal ik geld weg, want jullie doen het niet zo goed.' En hij geeft het aan ons, met de boodschap het wel verantwoord te besteden.' Maar Van der Molen wil wel kwijt dat 'de universiteiten dit zelf in de hand hebben gewerkt. Van hun onderlinge taakverdeling en profilering is weinig terecht gekomen.'

Van der Molen vindt het 'vanzelfsprekend' dat NWO een belangrijke rol gaat spelen bij het institutionaliseren van de onderzoekersopleidingen in de universitaire tweede fase in nieuwe 'graduate schools'. 'Een gelukkige zaak', meent hij. 'De assistent-in-opleiding is erbij gebaat als hij een paar jaar kan functioneren in een goed onderzoeksklimaat. Zo'n klimaat heerst niet zonder meer aan de universiteiten. Niet overal vind je de rust en de twijfel die voor goed onderzoek nodig zijn. Een AIO moet ongestoord zijn gang kunnen gaan.' Van der Molen denkt dat NWO als landelijk opererend universitair instituut vaak een beter inzicht heeft in de ontwikkelingen aan de verschillende universiteiten dan de universiteiten zelf. 'Als we over een bepaald gebied een uitspraak doen, is dat op basis van het inzicht van alle landelijke deskundigen. We hebben ze hier allemaal bij elkaar. Als zij samen een oordeel vellen, mag je aannemen dat het een goed oordeel is.'

Of zo'n gang van zaken voor elke universiteit acceptabel is? Van der Molen: 'Ik denk dat we in de laatste jaren een zeker vertrouwen bij de universiteiten hebben opgebouwd. Ze weten dat we rekening houden met de stand van zaken binnen een universiteit - maar niet tot elke prijs.'

    • Quirien van Koolwijk