Twijfel aan alibi zaak-Bestebreurtje

DEN HAAG, 20 febr. - Het alibi van de man die de Rotterdamse 'bingokoning' J. A. Bestebreurtje zou hebben vermoord blijkt minder overtuigend dan aanvankelijk leek. Bij de voortzetting van de behandeling liet de president van het gerechtshof in Den Haag, mr. A. C. de Groot, weten er niet van uit te gaan dat de bewuste man, de 31-jarige Hagenaar H. van R., op het tijdstip van de moord op een camping in Wassenaar was.

Een anonieme getuige had volgens de Rotterdamse politie verklaard Van R. op de camping te hebben gezien op 12 augustus 1988, tussen negen en elf uur. Bestebreurtje werd die dag om tien uur in Rotterdam doodgeschoten.

Het proces-verbaal van deze getuigenis was niet in het dossier opgenomen, volgens de politie omdat de verklaring Van R. al in een vroeg stadium als verdachte uitschakelde. Van R. werd eind vorig jaar door diens weduwe genoemd als dader van de moord. Hij zou haar dat hebben bekend, enige tijd voordat hij zelf met zijn broer door onbekenden werd doodgeschoten. Het onderzoek naar die moordzaak is vastgelopen, maar aanknopingspunten met de zaak-Bestebreurtje waren er niet, aldus de politie. Dat de weduwe pas maanden later met haar verklaring kwam, terwijl haar broer Cor S. al voor zijn betrokkenheid bij de moord tot vijftien jaar was veroordeeld, was volgens haar het gevolg van de zwijgplicht die haar man haar destijds had opgelegd. Van R. zou ook hebben gezegd dat het met haar broer wel goed zou komen, omdat hij immers niet schuldig was. Na diens veroordeling tot vijftien jaar gevangenis was de weduwe daar niet meer zo zeker van en in 'gewetensnood' had zij zich uiteindelijk tot haar huisarts gewend en, op diens aanraden, tot de politie. Daarna hebben nog enkele andere bekenden voor wijlen Van R. belastende verklaringen afgelegd. De behandeling van de zaak wordt op 26 maart voortgezet.