Theatrale kracht van Vlaamse L'Orfeo schuilt in het kleinegebaar Monteverdi als een zingend schilderij

L'Orfeo (1607) van Claudio Monteverdi is een der eerste opera's, ontstaan tien jaar na Dafne van Jocopo Peri, die het genre 'uitvond' als een reconstructie van het Griekse treurspel. Opera was de welbewuste poging tot het doen herleven van de verworvenheden van de klassieke oudheid en daarmee een culminatie van de Renaissance: de wedergeboorte. Het bijzondere is echter dat de leden van de Florentijnse Camerata geen pure 'authenticiteit' nastreefden. De Griekse muziek was voorgoed verloren en werd vervangen door de eigentijdse Italiaanse muziekvormen en -stijlen, ook al waren die niet ontworpen voor de specifieke eisen van het nieuwe genre muziektheater.

In de voorstelling die de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen nu brengt, behandelt regisseuse Isabelle Pousseur L'Orfeo als een liefdevolle vroedvrouw met respect voor het nog onvolgroeide. Niettemin is alles wat opera moet hebben in L'Orfeo al aanwezig, ook al is er weinig zichtbare en te visualiseren handeling. Tenslotte is dat ook vaak het geval in veel latere opera's van Handel, Mozart (Idomeneo), Verdi (Don Carlo) en Wagner (Parsifal). Het gaat immers uiteindelijk om de innerlijke beleving van de dramatische situatie, niet om beweging, gedraaf en elkaar prikken met sabels.

Isabelle Pousseur brengt de Griekse mythe van Orfeo als een serie tableaux vivants. Die toneelbeelden maken geen aanpraak op authenticiteit: Palladio zou nimmer zuilengevels met zulke hoeken hebben gebouwd, ook worden er geen bestaande Italiaanse doeken of fresco's geimiteerd. Het zijn nieuw ontworpen zingende schilderijen waaraan af en toe wat wordt herschikt, al naar gelang de situatie. Alleen aan het slot is er enige duiding, als Apollo, hier voorgesteld als de god van kunsten en wetenschappen, Orfeo in de hemel opneemt. Orfeo blijkt dan een echte Renaissance-figuur, een originele herschepping van de mythologische figuur en daarmee een voorloper van de Verlichting. Hij wordt omringd door musici met hun instrumenten en door wetenschappers: Copernicus met zijn model van het zonnestelsel, Galilei met zijn sterrenkijker. De vader van Galilei was immers componist en een van de leden van de Camerata!Juist het kleine intieme gebaar, het elkaar vastgrijpen en het hoofd laten hangen bij het vernemen van het bericht dat Euridice dood is, krijgt hier een grote theatrale kracht. Orfeo die door zijn verdriet niet eens ziet dat het lijk van Euridice wordt binnengedragen. Maar het visuele is toch nauwelijks meer dan een accentuering van wat de muziek van Monteverdi hoorbaar maakt: het dramatische zwijgen, zoals Martinus Nijhoff dat beschreef in het gedicht Awater: 'Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.' De essentie van deze voorstelling is dan ook het aangrijpende muzikale deel, met grote intensiteit en in soms heel langzame tempi uitgevoerd onder leiding van Philip Herreweghe. Op een keur van authentieke instrumenten wordt door tal van specialisten op dit gebied voortreffelijk gespeeld, daar in de orkestbak zit bijvoorbeeld Bruce Dickey op de cornet te blazen. En door de uitvoerige cast wordt ook meestal uitstekend gezongen. John Elwes is een bijzonder vervoerende Orfeo, hoewel bij de premiere niet elke ingewikkelde versiering helemaal lukte. Agnes Mellon (Euridice), David Thomas (Caronte) en Gloria Banditelli (Messagiera) zingen eveneens opmerkelijk.

Voorstelling: L'Orfeo van C. Monteverdi, door koor en orkestvan La Chapelle Royale, Ensemble Tragicommedia en Concerto Palatino o.l.v. Philippe Herreweghe. Met: John Elwes, Agnes Mellon, Gloria Banditelli, David Thomas en Miriam Ruggeri e.a. Decors en kostuums: Michel Boermans; regie: Isabelle Pousseur. Gezien: 17/2 Kon.

Vlaamse Schouwburg Antwerpen. Herhalingen aldaar: 20, 21, 23/2. Congrescentrum Gent 24/2 (concertant).

    • Kasper Jansen