Rel Boekarest waarschuwing, geen incident

ROTTERDAM, 20 febr. - De vandalen die zondag op het Piata Victoriei in Boekarest de zetel van de regering en het Front van Nationale Redding bestormden, er het meubilair stuk sloegen, dreigden een vice-premier van het balkon te gooien en een aantal parachutisten het ziekenhuis in sloegen lijken niet representatief voor iemand anders dan zichzelf. Toch onderstreepte hun wangedrag nog eens dat het wantrouwen van velen in de huidige leiding nietaf- maar toeneemt. Roemenie lijkt af te glijden naar een situatie waarin de regering de controle verliest, naar een nieuwe revolutie.

Premier Petre Roman zei zondag in het verre Parijs sussend dat het allemaal best meeviel, dat alles in orde en de toestand stabiel was. Tezelfdertijd sprak een van zijn eigen ministers van een poging tot een staatsgreep. En hoe dan ook: als elke dag bozer wordt gedemonstreerd, nu eens door militairen die lang het vertrek van de minister van defensie eisen (en hun zin krijgen), dan weer door studenten, weer een dag later door opgewonden herrieschoppers, en als soldaten weigeren een hand uit te steken als Romans eigen hoofdkwartier wordt bestormd, dan is niet alles in orde en is zeker de toestand niet stabiel.

De Raad van het Front van Nationale Redding heeft het wantrouwen jegens zijn bedoelingen vooral aan zichzelf te wijten. De leiding, met mensen als president Iliescu, premier Roman, ideoloog Brucan, heeft vanaf 22 december, toen Ceausescu viel en het Front als uit het niets verscheen, nauwelijks het voordeel van de twijfel gehad. Met enig recht wezen veel Roemenen op het politieke verleden van hun nieuwe kopstukken, want tenslotte hadden ze onder Ceausescu hun politieke sporen verdiend. Iliescu had in het politburo gezeten, was zelfs even na Ceausescu 's lands tweede man geweest, en was wel uit de gratie geraakt maar nooit gevallen en nooit een dissident geworden. Brucan was ooit hoofdredacteur van het partijblad Scinteia, Roemenies belangrijkste leugenfabriek, en hij had zich wel tot dissident ontwikkeld, maar, zo redeneerden en redeneren velen, zijn verleden maakt Brucan, die jarenlang met enthousiasme het stalinisme heeft opgebouwd, niet geloofwaardiger als hij nu de loftrompet op het anti-communisme steekt. En een dissident onder Ceausescu is per slot nog altijd niet per definitie een democraat.

Zo hadden veel leden van dat Front veel boter op hun hoofd - eigenlijk allen, met uitzondering van de ex-dissidenten die nooit in Ceausescu's partijmachine hadden meegedraaid, zoals Doina Cornea, en acteurs, schrijvers en filosofen als Gabriel Liiceanu, Andrei Plesu, Mircea Dinescu en Ion Caramitru. Maar hun integriteit maakt het Front niet betrouwbaarder, zeker niet nu het als partij wil voortbestaan. De ex-dissidenten, schrijvers en filosofen keren na de verkiezingen van mei terug naar hun studeerkamers om er gedichten en mooie filosofische tractaten te schrijven; Plesu verzuchtte drie dagen na zijn benoeming tot minister van cultuur al dat hij blij zal zijn als hij zijn ministersstoel weer kan ontruimen. De weinige leden van het Front in wier integriteit vertrouwen bestaat zitten er dus maar tijdelijk in, terwijl de politici, de Iliescu's en de Romans, zullen blijven. Op papier ziet het verkiezingsprogramma van het Front er heel goed uit. Het noemt zich een 'democratische politieke formatie met een breed sociaal kompas', het streeft naar een transformatie van de samenleving 'op basis van democratie, vrijheid en waardigheid', het wil 'alle creatieve krachten bundelen voor de opbouw van een pluralistisch, democratisch systeem, een moderne en efficiente democratie, en een herleving van nationale cultuur'.

Het programma rept verder van 'een algehele breuk met het totalitaire systeem, de eliminering van de ideologie die daar karakteristiek voor was, de afwijzing van andere extremistische, anti-democratische en anti-humanitaire concepten, de opbouw van een burgerlijke samenleving, het scheppen van voorwaarden waarop elke sociale groep in staat is zijn belangen op het niveau van de macht en zeggenschap in het beslissingsproces tot uitdrukking te brengen, met garanties voor individuele en collectieve rechten van de minderheden en een sociale dialoog'.

Initiatief en concurrentie moeten alle ruimte krijgen, de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht dienen te worden gescheiden, meer dan twee ambtstermijnen mag niemand in functie blijven en er moet een parlementair systeem komen, de universiteiten moeten autonoom zijn en het onderwijs moet vrij zijn van welke ideologie dan ook.

Het Front is verder voor een 'geliberaliseerde, gedecentraliseerde en gediversificeerde economie op basis van marktmechanisme, concurrentieprincipe en winstgevendheid', voor het stimuleren van prive- en collectief bezit. Staatsbezit mag alleen in de industrie voortbestaan, maar alleen bij grote bedrijven en ook dan nog strikt op basis van het marktmechanisme. Dat klinkt mooi, maar het zijn woorden. De praktijk is minder democratisch. En de Roemenen, een volk dat wantrouwen in overheden tot een tweede natuur heeft verheven, kijken eerder naar de praktijk dan naar dat mooie verkiezingsprogramma. De praktijk is een voorlopig parlement, waarin het Front zichzelf 111 van de 253 zetels heeft toebedeeld, evenveel als de 37 andere politieke partijen bij elkaar. De praktijk is dat mensen als president Ion Iliescu zich bij een aantal discussies hoogst ondemocratisch hebben gedragen, dat politieke partijen geen of vrijwel geen toegang is gegund tot de massamedia, dat hun mogelijkheden worden beperkt (een dag voor de oprichting van de Boerenpartij vonden de partijbestuurderen hun beoogde hoofdkwartier verzegeld door de justitie), dat aanhangers van het Front politieke tegenstanders hebben geintimideerd en dat een aantal leden het Front of de regering inmiddels teleurgesteld heeft verlaten, zoals Doina Cornea, die sindsdien roept dat de communisten ondanks alle anti-communistische retoriek in het Front nog altijd de dienst uitmaken, Mihai Lupoi, die als minister van toerisme is afgetreden uit protest tegen het 'dictatoriale' beleid van Roman en die prompt betrokken raakte bij een mysterieus verkeersongeval, en Dumitru Mazilu, die nu elke gelegenheid te baat neemt om te wijzen op de rol van de neo-communisten binnen het Front.

De praktijk is dat tot dusverre vrijwel alle concessies van boven zijn afgedwongen met demonstraties van de basis en de praktijk is ten slotte dat het met de hervormingswil in de economie zo'n vaart niet loopt. Waar Polen en Hongarije na jaren modderen met economische hervormingen eindelijk tot de conclusie kwamen dat halve maatregelen niet helpen en voor hele hebben gekozen, neemt het Front zijn toevlucht tot kwart-maatregelen. In zijn programma breekt het een lans voor de privesector, maar toen werd voorgesteld om het aantal werknemers in de particuliere sector te binden aan een maximum van vijftig per bedrijf, maakte het Front er nog minder van: twintig.

Het Front heeft sinds december maar weinig gedaan om het aanvankelijke wantrouwen weg te nemen. Het lijkt ook al lang niet meer op de brede coalitie die het in december nog heette te zijn. In zijn kern, de kern die de beslissingen neemt - de kern zonder de vertegenwoordigers van de cultuur en de studenten - lijkt het Front eerder op een kliek van oude kameraden met een communistische achtergrond en oude banden die op 22 december even heel goed uitkwamen.

Zo groeit het wantrouwen verder. Het zijn allang niet meer alleen de tientallen rivaliserende politieke partijen die roepen dat het Front vol communisten zit, het zijn ook niet alleen de relschoppers van zondag of de militairen die na dagen van demonstreren de minister van defensie, Ion Militaru (in de memoires van Ceausescu's gevluchte chef van de inlichtingendienst afgeschilderd als 'paradegeneraal, rokkenjager en spion voor Ceausescu'), tot aftreden dwongen. De kring van wantrouwen wordt steeds groter en dat doet de sfeer geen goed. In die zin is de bestorming van zondag eerder een waarschuwing dan een incident.

    • Peter Michielsen