Telefoonlijn helpt arts bij pijnbestrijding

NIJMEGEN, 19 febr. - Het Integraal Kankercentrum Oost in Nijmegen heeft vandaag de eerste 'pijnlijn' in Nederland geopend. Artsen van patienten met ernstige chronische pijn kunnen er drie dagen per week voor een gespecialiseerd advies terecht. De telefonische hulplijn wordt bemand door deskundigen van de pijnkliniek van het Nijmeegse Radboudziekenhuis, een van de weinige op dat gebied in het land. De meeste patienten over wie het Nijmeegse pijnbestrijdingsteam innauw overleg met de afdeling radiotherapie adviseert, zijn kankerpatienten die binnenkort zullen sterven.

Ruim 50 procent van mensen met pijn kunnen beter worden behandeld als hun artsen alle kennis die op dit moment over pijnbestrijding bestaat op de juiste manier zouden toepassen. De psychologe dr. K. L. Dorrepaal concludeerde dit uit haar onderzoek naar pijn bij kankerpatienten waarop ze eind vorig jaar promoveerde. 'Lang niet alle pijn kun je bestrijden met een pilletje', zegt dr. B. J. P. Crul, anesthesioloog en leider van de Nijmeegse pijnkliniek. 'Er zijn verschillende soorten pijn, met elk hun eigen oorzaak en hun eigen bestrijdingsmethode.' Volgens Crul zijn de problemen met pijnbestrijding vooral groot bij de terminale kankerpatient. Door het tegenwoordige beleid in de gezondheidszorg zijn die patienten meestal thuis. De huisarts kan in 70 procent van de gevallen de pijn van zijn patienten goed bestrijden. Voor de overige patienten heeft de arts echter een gespecialiseerd pijnadvies nodig, waarvoor hij bij de pijnkliniek terecht kan. Meestal is een oplossing mogelijk door een aangepaste medicatie voor te schrijven. De patient kan dan thuis blijven. In een enkel geval moet de patient de pijnkliniek bezoeken. Crul: 'In ons verzorgingsgebied wonen ongeveer 1,3 miljoen mensen. Daaronder zijn gemiddeld 3.000 ernstige kankerpatienten. Daarvan hebben er 2.100 pijn. Het betekent dat de pijnpoli jaarlijks over 400 a 500 patienten moet adviseren.'

Euthanasie

Pijnbestrijding is al lang een ondergeschoven kindje in de medische wetenschap. Volgens het regeerakkoord zou het meer aandacht moeten krijgen. Pijnbestrijding wordt daarin gepresenteerd als een alternatief voor euthanasie. De vraag om euthanasie vloeit immers vaak voort uit de angst voor ondragelijke pijn.

Crul: 'In de praktijk gaat deze gedachtengang inderdaad vaak op. Vorig jaar behandelde ik bijvoorbeeld een jonge vrouw wegens pijn. Ze had ongeneeslijke kanker, en wilde een onderdeel van haar werk nog afronden. Dat is mede dank zij aangepaste pijnbestrijding gelukt. Toen ze erg achteruitging, vroeg ze om euthanasie. We hebben daar uitgebreid over gepraat, ik heb haar er ook op gewezen dat euthanasie voor nabestaanden en de arts heel belastend kan zijn. Ze koos daarna voor verdere pijnbestrijding, met als mogelijkheid alsnog euthanasie te vragen als het lijden ondraaglijk zou worden. Maar dat is niet nodig geweest. ' De reden dat de medische wetenschap lang geen aandacht heeft gehad voor pijnbestrijding ligt in het feit dat pijn geen ziekte is, terwijl aanhoudende pijn de onmacht van de medicus aantoont.

Crul: 'Naast de terminale kankerpatient moeten ook de genezen kankerpatienten niet worden vergeten. Hun kanker is weliswaar verdwenen, maar vaak ten koste van ernstige bijwerkingen, waaronder pijn. Op dit moment gaat het landelijk om ongeveer 200.000 mensen'. Een pijnlijk gevoel is vaak de aanleiding om naar het spreekuur van een arts te gaan. Het signaal vertelt dat er iets aan de hand is. De arts richt zich vervolgens niet op de pijn, maar op de ziekte die de pijn veroorzaakt. Hij gaat ervan uit dat ook de pijn verdwijnt als de ziekte geneest. Blijft de pijn, dan is de ziekte niet over. Pijn is moeilijk te definieren, waarschijnlijk omdat de mate waarin een patient pijn ervaart sterk afhangt van zijn psycho-sociale omstandigheden.

Crul: 'Vanwege die psychologische factor hanteren wij het zogenaamde 'total pain concept'. Een louter lichamelijke aanpak werkt namelijk niet. Pijn heeft weliswaar van oorsprong een lichamelijke oorzaak, maar roept vaak depressies, woede of wrok op. Die kan gericht zijn tegen familie en vrienden, of tegen de artsen. Ons pijnbestrijdingsteam is daarom multidisciplinair samengesteld. Er zit ook een psycholoog in. De lichamelijke behandeling doen we in het ziekenhuis, maar voor de psycho-sociale opvang hebben een joint venture met het Fortmanncentrum waar de patienten kunnen deelnemen aan inzichtgevende en bewustzijnsverdiepende activiteiten'.

Morfinen

Pijn ontstaat waar weefsel wordt beschadigd of in de verdrukking komt. De pijnprikkels worden uiteindelijk in het centraal zenuwstelsel geregistreerd. De pijnbestrijders onderscheiden verschillende soorten pijn, onder andere doffe en scherpe pijn. Lichte en middelzware pijnbestrijdingsmiddelen, de zogenaamd analgetica waartoe bijvoorbeeld salicylzuur en paracetamol behoren, helpen niet meer als debeschadigingen toenemen. Dan worden morfine-achtige stoffen toegepast die de pijnprikkels in de hersenen onderdrukken. Tegen doffe pijn, veroorzaakt door botkanker en tegen dysesthetische pijn die optreedt waar zenuwen in de knel zitten, helpen morfinen in de vorm van tabletten of injecties echter nauwelijks. Soms helpt lokale verdoving. Ook kan, in ernstige gevallen, de zenuw worden geblokkeerd die de pijnprikkel geleidt.

Een doorbraak is volgens Crul een infuus van de pijnbestrijdende middelen direct op de juiste plaats in het ruggemergvocht. De morfine-achtige stoffen kunnen dan met een pompje worden toegediend. Meestal gebeurt dit pas in de laatste levensfase.

    • Pety de Vries
    • Wim Köhler