Ieder begrijpt wat een voetballer bedoelt als hij zijnneus dichtknijpt Er zijn geen woorden meer voor sport

Bij het tonen van emoties in de sport vormt gebarentaal het belangrijkste middel van communicatie. In het bijzonder in de professionele sport is het gesproken woord volledig op de achtergrond geraakt. Onder invloed van Zuidamerikaanse taferelen heeft ook de feestvreugde een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt. Voetballers rollen op grote toernooien kussend over het veld als een menselijke kluwen. De Engelse coach Robson eiste onlangs echter dat zijn spelers het voortaan bij een schouderklopje laten. 'Als een speler scoort, doethij tenslotte niets anders dan waarvoor hij wordt betaald.' De gebaren waarmee doelman Hans van Breukelen in de finale van het Europese kampioenschap 1988 zijn directe tegenstander Belanov uit de Sovjet-Unie tegemoet trad, moeten niet alleen voetballiefhebbers in staat van opwinding hebben gebracht. Luttele ogenblikken voor de aan de Sovjet-Unie toegekende strafschop etaleerde de sluitpost van Oranje een beklemmende lichaamstaal die psychologen en taalwetenschappers dermate veel praktijkmateriaal opleverde dat bestaande studies opnieuw kunnen worden geillustreerd.

Met langzame tred (het moment van de penalty zelf bepalen), opgeheven hoofd (superioriteit) en vooruit gestoken borst (zelfverzekerdheid) verliet Van Breukelen zijn doel. Aangekomen bij Belanov trok de Nederlander, terwijl de blikken elkaar kruisten, op het juiste moment met de rechter wijsvinger het ooglid een fractie naar beneden. Waarmee Van Breukelen zoveel liet weten als: 'Ik heb je door, ik ben er op voorbereid, mij verras je niet'. Nauwelijks het vermelden waard is dat Belanov de bal armetierig inschoot zodat Van Breukelen de strafschop moeiteloos stopte.

De hier geschetste situatie is slechts een voorbeeld uit de reeks van gebaren die zich door de jaren heen in de sport heeft ontwikkeld. Waar vroeger een beperkt arsenaal aan gebaren bij een treffer of bij onbegrip voldeed, heeft in het bijzonder de intrede van de professionele sport het gesproken woord volledig op de achtergrond doen raken..En niet alleen omdat de kakafonie van het publiek verbaal overleg vrijwel onmogelijk maakt. Zo geeft de trainer op de bank aanwijzingen die kunnen varieren van simpele vingerwijzingen tot een pure geheimtaal zoals die langs de lijn van het honkbalveld wordt gebezigd (een veeg langs de pet, de armen gekruist voor de borst) of door basketballers en volleyballers die achter de rug met een aantal opgestoken vingers het gewenste spelpatroon aangeven.

Geslaagd

Volgens de Franse onderzoeker Francois Sulgar kan een geslaagde boodschap procentueel in drie componenten worden verdeeld, te weten 7 procent betekenis van woorden, 38 procent intonatie en stemgebruik en maar lieft 55 procent gebaren. Los van de vraag of deze percentages juist zijn: het staat vast dat de non-verbale communicatie - het geheel van gelaatsuitdrukkingen, gebaren en lichaamshoudingen - zeker in de sport een belangrijke plaats inneemt. Fatsoenlijk overleg is vaak onmogelijk dan wel verboden en neemt bovendien te veel tijd in beslag. Een gebaar zegt bovendien vaak meer dan langdurig overleg.

Illustratief hiervoor is dat de Nederlandse overwinning op het voetbalelftal van de Bondsrepubliek tijdens het Europese kampioenschap door nagenoeg alle media werd begroet met psycho-analytische diepgraverij waarin auteurs teruggrepen op oorlogstrauma's en de nog altijd verstoorde intermenselijke relaties tussen minimaal twee generaties. Tegen die achtergrond verwoordde international Ronald Koeman met een kenmerkende actie nog wel het duidelijkst de gevoelens van een groot deel van het volk toen hij na afloop van de wedstrijd in de dampige kleedkamer voor alle medespelers zijn achterwerk met het Westduitse shirt afveegde.

Voetballers hebben door de jaren heen de meeste inventiviteit getoond in deze vorm van communicatie. Waar basketballers zich nog altijd bedienen van de high-five, honkballers na een score van het complete team de low-five ontvangen, tennissers pas de laatste jaren de gebalde vuist ten teken van kracht of inspiratie opsteken, wielrenners niet creatiever zijn dan op de streep de armen in de lucht werpen na eerst het van reclame vergeven shirt voor de televisie te hebben gladgestreken en schaatsers alsmede atleten vaak te vermoeid zijn om ooknog maar iets te ondernemen, vertegenwoordigt het voetbal een compleet scala van pure lichaamstaal.

Hierin kan grofweg een indeling worden gemaakt tussen gebaren voor vreugde, onbegrip en algemene reacties, waarbij de inbreng van de toeschouwers buiten beschouwing moet worden gelaten. Hoewel die van het werpen van hoeden in de lucht bij een doelpunt, via het gooien van kussentjes, blikjes en warme kroketten naar het vandaag de dag gebruikelijke smijten met stoelen, ijzeren staven, fragmentatiebommen, stenen, munten of andere voorwerpen die voorhanden zijn, kennelijk ook niet hebben stilgezeten.

Voetbal maakt emoties los en beslissingen van de scheidsrechter roepen dan ook vaak heftige reacties op. Waren dat voor de Tweede Wereldoorlog nog voornamelijk met armen en schouders gemaakte hulpeloze, vragende gebaren, langzamerhand evolueerde het antwoord van de speler - ingegeven door het belang en het opzwepende publiek - in wegwerpgebaren, woeste lichaamsuitdrukkingen, een duw en in een enkel geval eenvoudigweg de broek laten zakken. De afgelopen vijftien jaar heeft tevens de geheven middelvinger en de krachtig geheven onderarm met daarbij de vrije hand plat in de holte van de elleboog zijn weg gevonden op de voetbalvelden ten teken van boosheid.

Dat voetballers misschien de mode aangeven, maar weinig origineel zijn bewijst Desmond Morris in zijn boek Gestures waarin hij schrijft dat de 'middle-finger-jerk' reeds bij de oude Romeinen voorkwam en de 'forearm jerk' eind jaren zeventig in zwang raakte, maar ook al veel langer bekend was als een seksuele belediging dan wel als mannelijk commentaar bij het aanschouwen van een aantrekkelijke vrouw. Beide gebaren vormen fallus-symbolen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten.

Tegen die achtergrond wil knikken met het hoofd of het aantikken van de hersenpan topografisch gezien nog wel eens het tegenovergestelde inhouden, maar voetbal is dermate internationaal dat dergelijke vergissingen weinig meer voorkomen. Een ieder begrijpt wanneer de trainer een rollende beweging maakt met de armen of een speler met twee vingers de neus dichtknijpt, op het voorhoofd wijst, een kruisje slaat, de neus aantikt, het ooglid naar beneden trekt, de duim opsteekt, een lange neus trekt, met wijsvinger en duim een 'O' vormt, de vuist balt, het hoofd met korte rukjes achterover gooit ('wat mot dat'), zijn vinger op de kin legt ('sla dan'), kermend op de kuit wijst (kramp) of over het gras kruipt en wrijft (contactlens). Ook de arbiter heeft wat dat betreft een andere rol gekregen. Er wordt niet op sociale wijze omgesprongen met de klacht van de speler in de trant van 'Vertel het nu eens anders, probeer je zin eens af te maken, fijn, ga eens door', maar onmiddellijk hard gefloten, druk gebaard en bij zeer ruw spel een kaart getrokken. Het gesproken woord isuit het voetbal verbannen. Zeker bij interlands heeft dit zijn voordelen, want niet iedere voetballer spreekt zijn talen. Zo heeft niemand het eerste interview van de Belg Jean Marie Pfaff, naafloop van zijn eerste wedstrijd voor Bayern Munchen, voor de Westduitse televisie met droge ogen kunnen volgen.

Zijn tot nog toe gebaren belicht die vrijwel overal ter wereld in gebruik zijn, het vieren van een doelpunt vormt daarentegen het handelsmerk van een speler. In de beginjaren van het voetbal werd een succesvole aanvalsactie beloond met een ferme doch koele handdruk, waarbij de verdedigers op de middenlijn bleven staan, wat riepen of al terugliepen naar de uitgangsposities. Vooral onder invloed van Zuideuropese en -amerikaanse landen kwamen de uitgebreide en soms onsmakelijke kuspartijen in de mode die minutenlang aanhielden en waarbij spelers als een menselijke kluwen over het veld rolden.

Voetbalfederaties verboden dergelijke uitspattingen wegens het oververhitte gedrag die ze op de tribunes opriepen, maar helemaal uitgebannen zijn ze nooit. Dat zal ook niet gebeuren aangezien de spelerzijn imago ontleent aan dergelijke gebaren. Het publiek, de commentator en de televisiekijkers wachten erop.

Cruijff nam in zijn jaren een flinke aanloop en maakte een flinke sprong gevolgd door een armzwaai. Rene van der Gijp imiteerde destijds bij PSV een gebaar uit het Australische voetbal door plots stilte blijven staan, met de vingers als het ware uit de heup te schieten entegelijkertijd met het onderlichaam licht te wiebelen. Ruud Gullit priemt de vinger in de lucht en loopt in een grote boog over het veld. Marco van Basten volgt hem daarin, alleen steekt hij een open hand in delucht en houdt hij de andere strak langs het lichaam. Het zijn veelal primitieve en dierlijke gebaren die worden gemaakt, zoals de aapachtige salto van Hugo Sanchez bij Real Madrid, maar voor iedereen vormt het een teken van herkenning zodat er altijd weer een vorm van communicatie wordt gepleegd. Dit jaar zullen zich op de eindronde om de wereldtitel in Italie weer nieuwe gebaren aandienen, al heeft ook het voetbal zijn beperkingen en is het onmogelijk de aanpak van tennisser Pat Cash te volgen die na zijn Wimbledonzege in 1987 alle etiquette terzijde schoof en klauterend door het publiek op de spelerstribune familie en trainer in de armen sloot.

    • Bert Regeer