Allen ensceneert ontmoeting van Bergman en Dostojevski

WEST-BERLIJN, 19 febr. - Eens per jaar is het feest. Ik betrap mezelf er altijd op een beetje zenuwachtig te zijn, de dag dat ik de nieuwe film van Woody Allen ga zien. Zal het hem weer lukken een nieuwe parel aan de kroon toe te voegen? Allens oeuvre groeit niet alleen met ijzeren regelmaat, maar is ook een autobiografie in afleveringen. Voor de tweede achtereenvolgende keer krijgen Europese fans tijdens het festival van Berlijn voor het eerst antwoord op de vraag: 'Hoe gaat het nu met Woody Allen?'. Getuige Crimes and Misdemeanors gaat het heel goed, al is hij somberder dan hij in jaren geweest is. De film is een rijpe, levensbeschouwelijke verhandeling, die ons probeert te verzoenen met de gedachte dat God niet alles ziet. Uit geldnood maakt Allens alter ego, een miskende documentarist, een portret van zijn succesvolle, oppervlakkige en ijdele zwager, een televisieproducent (Alan Alda). Allen wordt ontslagen, wanneer hij de waarheid over Alda zegt en de laatste trouwt bovendien met de produktieleidster (Mia Farrow), met wie Allen zo goed praten kon. Het kan nog erger: een tweede groep personages in Crimes and Misdemeanors - met Allen en Alda verbonden door Sam Waterston als een blind wordende rabbi - bestaat uit de oogarts Martin Landau, zijn maitresse Anjelica Huston en zijn tot de onderwereld behorende broer Jerry Orbach. Huston dreigt na twee jaar aan het lijntje te zijn gehouden naar Landau's echtgenote toe te stappen. Orbach suggereert een drastische, maar misdadige oplossing van het probleem. In de slotscene biecht Landau aan Allen op dat hij in een film ten onder zou zijn gegaan aan wroeging en schuld. In het echte leven slijten zulke gevoelens, en blijk je met de meest verschrikkelijke dingen op je geweten verder te kunnen leven.

Crimes and misdemeanors is geen film om bij te huilen of te lachen, maareen zeer knap geconstrueerde, bijna cerebrale film in de trant van een roman, de schaduwzijde van Hannah and her Sisters, waar Dostojevski en Bergman elkaar ontmoeten op een joodse bruiloft. Het is merkwaardig dat juist deze filosofische en afstandelijke film van Allen voor het eerst sinds Hannah weer succes heeft bij het Amerikaanse publiek en een Oscarnominatie kreeg voor de regie.

Het is niets vergeleken met de negen Oscarnominaties en de recette van Driving Miss Daisy van Bruce Beresford. Die film speelt zich af in de jaren vijftig en zestig en gaat over een rijke, bejaarde joodse mevrouw in Atlanta (Jessica Tandy), die op aandrang van haar nog rijkere zoon (Dan Aykroyd) haar rijbewijs weggooit en een zwarte chauffeur (Morgan Freeman) in dienst neemt. Het scenario van Alfred Uhry naar zijn eigen toneelstuk verwijst steeds naar de ingewikkelde raciale accenten in deze relatie. De clou lijkt te zijn dat Tandy naar een meeting met Martin Luther King gaat, wanneer de Ku Klux Klan de synagoge in brand gestoken heeft. Driving Miss Daisy is niet een erg subtiele film, al denken ze daar in Hollywood misschien anders over. Zowel de acteerstijl als de lyrische fotografie zijn vooral behaagziek.

De functie van het Berlijnse festival ligt ook enigszins in het corrigeren van de Amerikaanse smaak, die steeds meer lijkt te dicteren wat we uit de Hollywoodproduktie in Europa te zien krijgen. De flop van Roland Joffe's Fat Man and Little Boy zal in Europa niet goed gemaakt worden door de titel te veranderen in het minder verwarrende Shadow Makers. De film over de ontwikkeling van de eerste Amerikaanse atoombom in Los Alamos, met Paul Newman als een ijzervretende generaal en Dwight Schultz als de twijfelende geleerde Robert Oppenheimer, overtuigt gewoon te weinig door de indirecte benadering van de ethische problemen.

Daarentegen zou een andere Amerikaanse film van een Engelse regisseur, Everybody Wins van Karel Reisz, wel eens kunnen profiteren van vertoning in Berlijn. De film naar een scenario van Arthur Miller (zijn eerste film sinds The Misfits) wordt in Hollywood beschouwd als 'onvertoonbaar'. Inderdaad staat Everybody Wins haaks op de traditie van de Hollywoodfilm. Het begint als een 'film noir', wanneer prive-detective Nick Nolte door de mysterieuze Debra Winger naar een klein stadje in Nieuw-Engeland gehaald wordt om de onschuld van een van moord verdachte jongen aan te tonen. Het web van intriges en corruptie sluit zich snel volgens de wetten van het genre, maar Nolte gaat niet ten onder aan de 'femme fatale'. Ze verandert steeds van karakter en zelfs identiteit, in een aan Nicolas Roegs films herinnerend, verontrustend spel, dat Debra Winger de mogelijkheid geeft tot haar beste rol tot nu toe.

Niemand verliest iets in Everybody Wins, en de corruptie wordt ook niet aan de kaak gesteld, omdat deze te diep verankerd en wijd verspreid is. De enige die de hooggeplaatste boosdoeners zou kunnen verraden is het personage van Winger, dat met de meesten geslapen heeft.

Ze hecht aan het leven en moet dus de psychologische prijs betalen. Het kan niet anders of Miller heeft bij het schrijven van deze rol aan zijn ex-vrouw Marilyn Monroe gedacht. Het zou wel eens een sleutel kunnen zijn op deze moeilijk toegankelijke, maar af en toe fantastische film.

    • Hans Beerekamp