Vervuiling van Noordzee toegenomen

AMSTERDAM, 17 febr. - De vervuiling van de Noordzee door de Westeuropese rivieren is de laatste jaren eerder toegenomen dan verminderd. Dit concludeert het International Centre of Water Studies (ICWS) te Amsterdam uit een onderzoek over de periode 1984 tot en met 1987. ICWS-directeur dr. J. Dogterom betwijfelt of de toestand de komende tijd zal verbeteren. Een belangrijk jaartal wordt 1995. Dan moet de bijdrage van de rivieren aan de vervuiling van de Noordzee, zoals is afgesproken op een ministersconferentie in 1987, voor een reeks van schadelijke stoffen met de helft zijn verminderd. 'Wat dat betreft ben ik pessimistisch gestemd', zei Dogterom gisteren bij de presentatie van de resultaten van het onderzoek.

Hij moest er wel aan toevoegen dat de globale verslechtering zoals die uit het rapport naar voren komt, statistisch niet bewijsbaar is 'wegens onnauwkeurigheden in de getallen'.

Er kunnen in de cijfers aanzienlijke afwijkingen voorkomen ten opzichte van de werkelijke hoeveelheden vervuilende stoffen. Hij schreef dit toe aan de soms gebrekkige meetsystemen. De getallen over de Rijn en ook de Elbe zijn redelijk betrouwbaar, maar er zijn ook rivieren, waaronder de Schelde, die slechts een keer of acht per jaar worden gecontroleerd en dat is volgens hem veel te weinig. Daarom pleitte hij voor een uniform meetsysteem in Europa.

Het ICWS, dat voortkwam uit het Internationaal Watertribunaal van 1983 en nauwe banden met de milieubeweging onderhoudt, heeft het rapport mede geschreven als bron van informatie voor de komende Noordzeeconferentie, die op 7 en 8 maart in Den Haag wordt gehouden. Een exemplaar van het stuk is daarom aangeboden aan minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat), 'Zij heeft ons bij die gelegenheid toegezegd', aldus Dogterom, 'het rapport te zullen gebruiken bij het internationale overleg'. Het vergelijkend onderzoek van het ICWS richtte zich op de Elbe, Weser, Eems, Rijn, Maas, Schelde, Thames, Humber, Tees, Tyne en Forth. De stoffen die men in de berekeningen betrok, vallen in drie groepen uiteen: zware metalen, chemische verbindingen onder de verzamelnaam organische microverontreinigingen en voedingsstoffen, in het bijzonder fosfaten en nitraten. Van de elf rivieren bleek de Schelde het meest vervuild. Omdat de Schelde tamelijk klein is, heeft de vracht vuil die ze aanvoert betrekkelijk weinig invloed op de toestand in de Noordzee. De Schelde zelf en het estuarium hebben er zwaar onder te lijden.

De Rijn is in absolute zin de grootste vervuiler, omdat het verreweg de grootste van de elf onderzochte rivieren. Tegelijk is de Rijn relatief - als naar de concentraties schadelijke of giftige elementen wordt gekeken - de schoonste rivier. 'Maar dat wil allerminst zeggen dat de Rijn een schone rivier is', zei Dogterom. 'Hieruit valt slechts af te leiden hoe slecht het met de andere is gesteld'. De cijfers voor Rijn en Maas zijn bij elkaar opgeteld, omdat ze dezelfde delta hebben. Samen met de Elbe leveren ze het leeuwedeel (circa 65 procent) van de smerigheid die de Noordzee uit de rivieren krijgt aangevoerd. Hierbij werd gisteren nadrukkelijk aangetekend dat de Elbe het meest vervuild raakt in Tsjechoslowakije en de DDR. Terwijl de Rijn de afgelopen jaren aanmerkelijk opknapte - 'op sommige punten zelfs spectaculair', aldus Dogterom - gaf de Schelde, maar ook de Elbe een verslechtering te zien. Verschillen zijn er ook wat betreft de aangevoerde stoffen. De vracht aan cadmium liep in de onderzoeksperiode sterk terug, maar de lozingen van fosfaten bleven globaal op hetzelfde peil. De Elbe voert meer kwik af dan de Rijn. Voor de meeste stoffen geldt dat de hoeveelheden van de Weser en Humber qua omvang volgen op die van Rijn, Maas en Schelde. Verbeteringen en verslechteringen tegen elkaar afwegend, moest Dogterom vaststellen dat de balans lichtelijk naar het negatieve doorslaat, ten koste van de Noordzee.

Het onderzoek van het ICWS is mogelijk gemaakt door een bijdrage van 135.000 gulden uit het zogenaamde Sandoz Rijnfonds, een door het Zwitserse chemisch-farmaceutische concern ingesteld fonds om wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het riviermilieu te ondersteunen. Het werd opgezet in 1987 na de rampzalige brand bij Sandoz in Bazel, die tot gevolg had dat een grote gifgolf de Rijn afstroomde.

De presentatie van het ICWS-rapport volgde gisteren op een workshop over de riviervervuiling onder voorzitterschap van prof. dr. L. Reijnders, hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam en medewerker van de stichting Natuur en Milieu. Een reductie van 50 procent van vervuilende stoffen in 1995 is voor hem slechts een eerste stap op weg naar een schone(re) Noordzee.