Sluiting van Drexel is niet einde van junk bond-markt

NEW YORK, 17 febr. - Peter Lynch, de succesvolle strateeg van het beleggingsfonds Fidelity, is voor de kleine Amerikaanse belegger een vaderfiguur, ongeveer zoals Jaap van Duijn van Robeco voor de Nederlandse particulier. Peter Lynch, de belichaming van de voorzichtige spaarder voor de lange termijn, kocht deze week 'junk bonds'. Dat is waarschijnlijk het duidelijkste bewijs dat de ondergang van Drexel Burnham Lambert, peetmoeder van de 'junk bond, ' niet is wat het op het eerste gezicht lijkt. De verleiding is groot om Drexel af te schilderen als een dealer die in zijn eigen verslavende gif is gestikt. Drexel had immers de markt geschapen voor dit soort obligaties van kleine bedrijven, met een hoog risico en een hoog rendement. Was het niet de neergang van de koersen voor 'junk bonds' die Drexel in geldnood bracht ? Dat is inderdaad waar; maar waarom was Drexel dan de enige die eraan kapot ging ? Nee, Drexel is niet gestikt in junk bonds maar in zijn eigen gretigheid en verkeerde management. En de Amerikaanse overheid heeft een niet onbelangrijke rol gespeeld in de vernietiging van het 152-jarige effectenhuis.

Maar de sluiting van Drexel betekent niet het eind van de 'junk bond, ' zoals belegger Lynch en anderen tonen. Er staat nu 200 miljard dollar aan 'junk bonds' uit; de Wall Street Journal wijst er op dat er maar 800 bedrijven in Amerika zijn die obligaties uitgeven die hoger zijn geklassificeerd dan 'junk'.

Vrijwel het gehele Amerikaanse bedrijfsleven maakt dankbaar gebruik van de uitvinding van Drexel en zijn voormalige junk-maestro Michael Milken.

De ondergang van Drexel bedreigt ook niet de financiele structuur van Amerika, zelfs niet die van aparte markten, zoals de afgelopen week is gebleken. Drexel had minder dan een miljard aan junk bonds in huis, oftewel 0,5 procent van het totaal uitstaand. Het gemiddeld rendement op junk bonds zat afgelopen week dicht tegen het hoogste peil van de laatste 52 weken aan. De andere markten - bijvoorbeeld die over staatsobligaties - kunnen ook wel een stootje hebben.

Welke conclusies kunnen dan wel getrokken worden uit het einde van Drexel? De meest intrigerende is waarschijnlijk afkomstig van James Grant, uitgever van Grant's Interest Rate Observer en een van de meest uitgesproken critici van het makkelijke krediet van de jaren tachtig. 'Dit moet niet gezien worden als het einde van een tijdperk, het einde van hebzucht, maar als een nieuw stukje bewijs dat krediet krapper wordt, ' zei hij gistermiddag in een interview. 'De erfenis van het roekeloze lenen en uitgeven van obligaties in de jaren tachtig is een hoeveelheid verliezen die ertoe heeft geleid dat toezichthoudende instanties (de FDIC en de Comptroller of the Currency) zijn geschrokken, en dat de banken zelf zich zorgen zijn gaan maken.'

Als je accepteert dat financiele markten altijd van het ene extreem naar het andere zwalken, zei Grant, dan volgt daaruit dat krediet nu te schaars zal worden. 'Als dat zo is, heeft dat diepgaande gevolgen voor de bedrijvigheid, ' zegt Grant. Inderdaad: grote voorzichtigheid bij de banken zou een enorme domper zetten op het bedrijfsleven en op consumpties, die in Amerika immers voor een groot deel draaien op krediet.

Drexel, zegt Grant, is een symptoom van wat komen gaat, niet een symbool van een voorbije tijd.

Maar waarom ging Drexel Burnham Lambert dan failliet? Drexel was 15 jaar geleden de underdog op Wall Street en kon zich alleen maar omhoog werken door lak te hebben aan de regels. Het vond daarvoor de perfecte man, de joodse accountantszoon Michael Milken, en het perfecte produkt, de 'junk' obligatie. Toen Drexel eenmaal de meest winstgevende bank op Wall Street was geworden veranderde die houding niet, en bleef Drexel alles voor zichzelf houden, de markt in zijn eentje domineren. Bovendien gebruikte het zijn fortuin niet om te diversificeren. Dat ging lange tijd goed, maar toen de junk bond markt in elkaar zakte was Drexel kwetsbaar. De nekslag kwam toen de banken besloten dat de junk bond-inventaris van Drexel niet meer voldoende onderpand was voor leningen.

De markt keerde om verschillende redenen. Het Congres verplichtte spaarbanken, die totaal 30 van de 200 miljard uitstaande junk bonds hadden, die stukken binen vier jaar te verkopen. Dat zette druk op de markt. Vervolgens gingen enkele fundamenteel slechte emissies verkeerd; de meest opvallende was die in september van Campeau, dat de hoge rente niet meer kon afbetalen (Drexel had in oktober 1988 zijn clienten geadviseerd geen Campeau-junk te kopen). Het vertrouwen in de markt was verdwenen, terecht of onterecht. Drexel was bovendien extra kwetsbaar omdat het een vervolging door het Ministerie van Justitie had afgekocht met een schikking van 650 miljoen dollar; maar tientallen andere processen hingen nog steeds boven de firma.

Sommige Drexel-werknemers en supporters zeggen dat de Amerikaanse overheid - Congres en Openbaar Ministerie - uitsluitend verantwoordelijk is voor het verdwijnen van Drexel. Er gaat zelfs een duistere complottheorie dat de overheid door de andere investment banks van Wall Street op het spoor van Drexel is gezet.

Waar of niet waar, het staat buiten kijf dat Drexel totaal geen vrienden op Wall Street had. In het openbaar wordt niet gegniffeld over het lot van Drexel, maar in prive-gesprekken wordt duidelijk dat niemand erg rouwt om het verdwijnen van deze effectenhandelaar.

De vraag of junk bonds nu per definitie goed of slecht zijn kan pas over een paar jaar worden beoordeeld. Aan de ene kant staan conservatieve filosofen die zeggen dat Milken kleine bedrijven de kans heeft gegeven te groeien, en dat de succesverhalen van de afgelopen tien jaar zonder junk bonds niet mogelijk waren geweest. Zij noemen Ted Turner (eigenaar van het televisienetwerk CNN), MCI (de telefoonconcurrent van AT en T), McCaw Cellular (mobilofoons) en tientallen anderen.

Aan de andere kant staan mensen als Grant. 'Als ik iemand geld leen dan zal hij zeker groeien. Maar is dat goede of slechte groei ?' Volgens hem kan nog niet beoordeeld worden of junk bonds meer goed dan kwaad hebben veroorzaakt. Wel is duidelijk dat er steeds meer 'slechte' junk op de markt is. Nog maar een kwart van de junk bonds valt in de hoogste categorie van betrouwbaarheid, de rest zit daaronder. In 1982 was de verhouding 40-60. Peter Lynch raadde dan ook aan om alleen de goede junk te kopen, die van solide bedrijven.

    • Michiel Bicker Caarten